Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
17/6056 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5629, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand voor psychomotorische therapie zoon. Voorliggende voorziening, geen acute noodsituatie. In beroep gewijzigde grondslag, namelijk dat niet de zorgverzekeringswet maar de Jeugdwet voorliggende voorziening is, had bij de rechtbank moeten leiden tot veroordeling in de proceskosten omdat artikel 6:22 Awb is toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6056 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 juli 2017, 16/8217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Michielsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 6 oktober 2016 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van psychomotorische therapie (PMT) ten behoeve van haar minderjarige zoon.

1.2.

Bij besluit van 14 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz) voor appellante een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW vormen en dat niet is gebleken van het bestaan van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, zodat geen bijstand kan worden verleend.

1.3.

Ter zitting bij de rechtbank heeft het college te kennen gegeven dat de motivering voor de afwijzing niet juist is. Het college stelt zich bij nader inzien op het standpunt dat de Jeugdwet een voorliggende voorziening vormt voor de kosten van PMT.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Niet in geschil is dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet voor de PMT-behandeling van de zoon van appellante een voorliggende voorziening is als hier bedoeld.

4.2.

Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de PW bijstand te verlenen indien, rekening houdend met alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) dient daarvoor vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.3.

Niet in geschil is dat de zoon van appellante gebaat is bij een PMT-behandeling. Appellante heeft aangevoerd dat deze voor haar zoon noodzakelijke behandeling niet van de grond komt door een communicatieprobleem tussen appellante en het voor de uitvoering van de Jeugdwet verantwoordelijke wijkteam. Appellante voelt zich daardoor genoodzaakt om zelf de PMT-behandeling bij een therapeut in te kopen.

4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen zeer dringende redenen gelegen als bedoeld in 4.2, die tot bijstandsverlening nopen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie die blijvend ernstig letsel tot gevolg kan hebben en waarin de omstandigheden van de zoon van appellante slechts door bijstandsverlening zijn te verhelpen. Problemen bij de uitvoering van de Jeugdwet doen er niet aan af dat de Jeugdwet, zoals tussen partijen niet in geschil is, naar zijn aard en doel een voorliggende, passende en toereikende voorziening is. Die problemen moeten worden opgelost binnen het kader van die voorliggende voorziening.

4.5.

Appellante heeft betoogd dat het begrip ‘acute noodsituatie’ ruimer is te interpreteren, in die zin dat daar waar een psychische behandeling van een minderjarig kind niet van de grond komt door het vastlopen van overleg tussen de ouder en het wijkteam sprake is van een acute noodsituatie. Dit betoog treft geen doel. Geen aanknopingspunten zijn aanwezig om in een situatie als deze een acute noodsituatie aan te nemen. Dit geldt te meer, nu uit het betoog van appellante volgt dat de situatie waarin haar zoon verkeert op andere wijze dan door bijstandverlening is te verhelpen, namelijk door verbetering van de communicatie tussen haar en het betreffende wijkteam in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet.

4.6.

Appellante heeft ook aangevoerd dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. Deze beroepsgrond slaagt. De motivering van het bestreden besluit is in beroep gewijzigd. Dit besluit was niet deugdelijk gemotiveerd, zodat het in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld, kon de rechtbank onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van de Awb passeren. De rechtbank had hierin echter wel aanleiding behoren te zien om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Dit te meer nu appellante door vermelding van de onjuiste voorliggende voorziening in het bestreden besluit op het verkeerde been is gezet en zij hiertegen in beroep nadrukkelijk een grond heeft aangevoerd. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf het college veroordelen in de proceskosten van de behandeling van het beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Smolders

rh