Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
15/7908 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemeld bezit van woning in buitenland. Niet aannemelijk dat appellant niet kon beschikken over de woning. College kon taxatieverlag volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7908 PW, 15/7910 PW, 17/316 PW

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2015, 15/3532 en 15/5378 (aangevallen uitspraak 1), en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2016, 16/2774 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellanten] (A), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.H. Acun, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Namens appellanten is verschenen mr. Acun. Tevens was aanwezig [naam 1] , de zoon van A. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

A ontving vanaf 24 maart 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.1.

In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ heeft een handhavingsspecialist van het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan A verleende bijstand. De handhavingsspecialist heeft daarbij gebruik gemaakt van de diensten van Bureau Buitenland en de door dit bureau ingeschakelde diensten van juridisch bureau [bureau] (B), advocaat te Turkije. Uit de bevindingen van het door B uitgevoerde onderzoek in Turkije, opgenomen in een rapport van 4 oktober 2014, blijkt dat A in het Kadastraal Register van [gemeente 1] sinds 24 september 2013 voor 1/10e deel als eigenaar staat geregistreerd van een perceel bouwgrond in het dorp [dorp 1] . Voorts blijkt uit dat rapport dat A sinds 25 september 2013 voor 7/10e deel eigenaar is van een woning in het dorp [dorp 2] (woning) en voor 7/10e deel eigenaar is van vijftien percelen grond (grond). Een landbouwkundig ingenieur in Turkije, [naam 2] (C), heeft op 28 augustus 2014 de actuele waarde van de percelen grond en de woning getaxeerd op 56.073,50 Turkse Lira (TL), omgerekend € 20.026,25.

1.2.2.

Bij brief van 23 december 2014 heeft het college A uitgenodigd voor een gesprek met de handhavingsspecialist op 13 januari 2015, onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van B. In deze uitnodiging heeft het college A verzocht een aantal nader genoemde bescheiden aan te leveren over de woning en de percelen en daarmee verband houdende gegevens, waaronder notariële akten en een actuele waardebepaling. A heeft tijdens het gesprek op 13 januari 2015 onder meer verklaard dat, na het overlijden van zijn vader, de percelen grond zijn verdeeld tussen zijn moeder, zijn broers en zussen en hemzelf, dat een broer een schuld bij de bank had en dat, teneinde een beslag te voorkomen, zijn broers en zussen hun deel van de percelen grond aan A hebben overgedragen, in ruil waarvoor A de schuld van de broer bij de bank heeft voldaan. Voorts heeft A verklaard dat in Turkije een rechtszaak over het bezit van de percelen grond loopt tussen hem, één van zijn zussen en de twee zoons van een overleden zus en dat hij daarom nog niet over de stukken grond kan beschikken.

1.2.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 29 januari 2015.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 6 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 april 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van A met ingang van 25 september 2013 in te trekken. Bij besluit van 14 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de over de periode van 25 september 2013 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.295,69 van A teruggevorderd. Aan de bestreden besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat A beschikt over vermogensbestanddelen, in de vorm van een aandeel in landbouwgronden en in een woning in Turkije, met een totale waarde boven de van toepassing zijnde vermogensgrens. Door van dit bezit geen melding te maken bij het college heeft A de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

2.1.

A heeft op 18 februari 2015 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

2.2.

Het college heeft A bij brieven van 6 juli 2015 en 21 juli 2015 verzocht om onder meer rechtbankdocumenten aan te leveren waaruit blijkt dat hij niet kan beschikken over het onroerend goed in Turkije dat op zijn naam staat geregistreerd.

2.3.

A is op 1 augustus 2015 overleden.

2.4.

Bij besluit van 4 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 april 2015 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag om bijstand van A afgewezen en de aan hem verstrekte voorschotten teruggevorderd. Aan bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat A beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens.

2.5.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 1 september 2016 overwogen dat de beoordelingsperiode loopt vanaf de datum van de aanvraag, 18 februari 2015, tot 1 augustus 2015, de datum van overlijden van A. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college niet heeft onderkend dat met het terugvorderingsbesluit van 14 april 2015 een schuld van € 17.295,59 van A aan het college is ontstaan. Gelet op de hoogte van deze schuld in vergelijking met de waarde van het onroerend goed dat op naam van A staat, kan volgens de rechtbank per 14 april 2015 niet langer gesproken worden van vermogen boven de vermogensgrens. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om dit motiveringsgebrek, dat kleeft aan bestreden besluit 3, te herstellen.

2.6.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 29 september 2016 (bestreden besluit 4) - onder intrekking van bestreden besluit 3 - opnieuw op het bezwaar van A beslist en dat bezwaar gegrond verklaard voor zover het de afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 14 april 2015 tot 1 augustus 2015 betreft. Het college heeft aan A alsnog bijstand toegekend over deze periode. Het bezwaar, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 18 februari 2015 tot 14 april 2015, heeft het college ongegrond verklaard op de grond dat A in die periode beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens.

3.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten

1 en 2 ongegrond verklaard.

3.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3

niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond verklaard.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting nader toegelicht, tegen aangevallen uitspraak 1 en tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen bestreden besluit 4 ongegrond heeft verklaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

5.1.

De te beoordelen periode loopt van 25 september 2013 tot en met 6 februari 2015.

5.2.

Niet in geschil is dat de woning en de grond in de te beoordelen periode op naam van A stonden geregistreerd en dat A dit niet bij het college heeft gemeld. Appellanten hebben aangevoerd dat A niet over de woning en de grond kon beschikken. Onder verwijzing naar een door hen ingediend document van het kantongerecht, dienst verkoopaangelegenheden, van [gemeente 2] , Turkije van 29 juli 2015 (document), hebben zij daartoe aangevoerd dat A pas eigenaar kon worden van de woning en de grond na voldoening van een groot bedrag aan zijn zussen. A heeft niet de kans gehad om dit bedrag te voldoen - hij is drie dagen na de datum van het document overleden - en het is nu aan zijn erfgenamen - appellanten - om de familieleden uit te kopen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.

5.3.

Uit het door appellanten overgelegde document volgt dat A koper is van de daarin genoemde onroerende zaken 1 tot en met 16, waarvan de perceelnummers op een enkele na overeenkomen met die van de onder 1.2.1 genoemde percelen, en dat deze onroerende zaken op 23 juni 2015 zijn gewaardeerd op een bedrag van in totaal TL 62.880,-. Uit dit stuk volgt niet wie de verkopende partij is en evenmin dat A in de te beoordelen periode niet over de op zijn naam geregistreerd staande (delen van de) woning en grond kon beschikken. Ook anderszins hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat A in de te beoordelen periode niet over de woning en de grond beschikte of kon beschikken.

5.4.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat niet van de door C getaxeerde waarde van de woning en de grond mag worden uitgegaan, in het bijzonder omdat C niet deskundig is. Hij zou als landbouwkundig ingenieur enkel advies kunnen geven over (het gebruik van) landbouwgronden.

5.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft in hoger beroep een nadere toelichting van zowel B als C overgelegd, alsmede certificaten van bevoegdheid als expert van C uit 2006 en 2014. Het enkele feit dat uit het taxatierapport niet blijkt dat het is opgemaakt door een erkend taxateur, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat dit taxatierapport onbetrouwbaar is, vergelijk de uitspraak van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2869. In het rapport van B staat dat de taxatie is opgesteld door een ter zake deskundige taxateur, wat nader is toegelicht in de door het college overgelegde toelichting van B en C. B heeft in de toelichting van 11 november 2015 verklaard dat C is gespecialiseerd in het taxeren van onroerende goederen als landbouwgrond, bouwgrond, gebouwen en woningen. Uit deze stukken blijkt verder dat C landbouw-technisch ingenieur is en expert volgens de Kamer van landbouwkundig ingenieurs. Wat appellanten hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de deskundigheid van C. Voorts is van belang dat het rapport inzichtelijk is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. C heeft de stukken grond en de woning ter plaatse bezichtigd, de ligging van de woning en de stukken grond beschreven en de factoren benoemd die de waarde van de grond in positieve zin en in negatieve zin beïnvloeden. De grondsoort en klimatologische factoren heeft C daarbij ook in ogenschouw genomen. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet van de daarin opgenomen taxatiewaarden van de onroerende zaken zou kunnen uitgaan.

5.6.

Verder hebben appellanten aangevoerd dat, gelet op het bedrag van de uitkoop van de zussen van A, het vermogen van A onder de vermogensgrens lag. De hoogte van de schuld van A aan zijn zussen is groter dan de waarde van het vermogen. Ook in dit kader hebben appellanten verwezen naar het door hen ingediende document.

5.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 5.3 is overwogen, blijkt uit het document niet wie de verkopende partij is. Evenmin volgt uit dit stuk, of anderszins, dat er in de te beoordelen periode tegenover de (deel)eigendom van de woning en de grond een schuld van A stond aan een of meer derden.

5.8.

Uit 5.2 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Nieuwe aanvraag

5.9.

Het geschil ziet op de periode van 18 februari 2015 tot en met 13 april 2015 (periode in geding).

5.10.

Ook in dit kader hebben appellanten, onder verwijzing naar het onder 5.2 genoemde document, aangevoerd dat A in de periode in geding niet de beschikking had over de woning en de grond omdat daar een claim op lag van zijn zussen en dat zij dienden te worden uitgekocht. Op grond hiervan stond tegenover de onroerende zaken op naam van A een schuld aan zijn zussen. Deze beroepsgronden slagen niet, waarvoor wordt verwezen naar 5.3 en 5.7.

5.11.

Anders dan appellanten ter zitting hebben betoogd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van overige schulden van A waarmee het college bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag rekening had dienen te houden. In het aanvraagformulier heeft A opgegeven geen schulden te hebben en het college heeft rekening gehouden met het uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkende negatieve saldo ten tijde van de aanvraag. Weliswaar heeft A blijkens een zogenoemde quickscan te kennen gegeven dat hij een schuld heeft van in totaal € 6.000,- à € 7.000,-, maar objectieve en verifieerbare gegevens daarover ontbreken.

5.12.

Uit 5.10 en 5.11 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 moet in zoverre worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M.M. van Dalen

sg