Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/3403 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2080, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Inzichtelijke en afdoende medische onderbouwing. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies. De verzekeringsarts heeft voorts voldoende toegelicht dat de belasting in het werk van brugwachter, sluiswachter op psychisch gebied weinig vergt en dat appellant deze functie ondanks de bij hem bestaande psychische beperkingen zou moeten kunnen vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3403 ZW

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 maart 2017, 16/4510 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Folkers, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Folkers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 2011 met rechter polsklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als machinaal houtbewerker. Het Uwv heeft appellant met ingang van 23 september 2013 geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat appellant op grond van passende functies minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft appellant zich per 24 juni 2015 ziek gemeld met psychische klachten, astma en polsklachten. Hij is vervolgens in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 27 januari 2016 is appellant gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts, die appellant per 3 februari 2016 in staat heeft geacht de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functie van brugwachter, sluiswachter te vervullen. Bij besluit van 27 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 3 februari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3.

Bij besluit van 22 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2016 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juni 2016 ten grondslag.

2.1.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij door zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is de functie van brugwachter, sluiswachter te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de artsen van het Uwv zijn psychische beperkingen te licht hebben ingeschat, heeft hij verwezen naar informatie van de behandelend psychiater van 20 januari 2017.

2.2.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat het medisch onderzoek door het Uwv onjuist of onzorgvuldig is verlopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht waarom appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat moet worden geacht de functie van brugwachter, sluiswachter te kunnen vervullen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen te licht hebben ingeschat en dat hij door zijn psychische klachten, polsklachten, astma en problemen aan zijn gehoor niet in staat is om de functie van brugwachter, sluiswachter te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie ingezonden van [naam bedrijf] en een door [naam] opgesteld Ontwikkelplan van

19 september 2018. Hij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot het volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de eindewachttijdbeoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij die vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft ook met juistheid geoordeeld dat met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juni 2016, in samenhang met de in beroep ingebrachte rapporten van deze verzekeringsarts van 31 januari 2016 en 20 september 2016 een inzichtelijke en afdoende onderbouwing is gegeven van het bestreden besluit.

4.3.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd wordt het volgende overwogen. De in hoger beroep door appellant overgelegde medische informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte bij de heroverweging in bezwaar onder meer over informatie van de behandelend psychiater van 12 april 2016 waarin is beschreven dat bij appellant sprake is van een ernstige depressie geluxeerd door psychosociale problemen. Bij appellant is geen sprake van wanen of andere psychotische verschijnselen. Verder is er sprake van een helder bewustzijn en normale oriëntatie en een aandacht die goed te trekken en te behouden is. Op grond van deze bevindingen is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgegaan van een verminderde psychische belastbaarheid. Het in hoger beroep ingezonden ontwikkelplan van 19 september 2018 biedt geen aanknopingspunten voor verdergaande beperkingen op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts voldoende toegelicht dat de belasting in het werk van brugwachter, sluiswachter op psychisch gebied weinig vergt en dat appellant deze functie ondanks de bij hem bestaande psychische beperkingen zou moeten kunnen vervullen. Ten aanzien van de ingebrachte informatie van [naam bedrijf] , waaruit blijkt dat appellant met het rechteroor minder goed hoort, heeft het Uwv terecht gesteld dat de functie brugwachter, sluiswachter geen bijzondere belasting kent ten aanzien van het aspect horen.

4.4.

Nu er geen twijfel bestaat dat appellant − ondanks de bij hem vastgestelde

beperkingen − in staat is de functie brugwachter, sluiswachter te verrichten, is er geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige, zoals door appellant verzocht. Het Uwv heeft terecht het ziekengeld van appellant met ingang van 3 februari 2016 beëindigd.

4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) W.M. Swinkels

ew