Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
16/5682 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikken over niet opgegeven woning in 't buitenland. Boete op grond van 'normale' verwijtbaarheid. Afgewezen nieuwe aanvraag op grond van onduidelijke financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5682 PW, 18/6287 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2016, 15/4295 en 15/6711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 19 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Namens appellante is verschenen mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 oktober 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van het project “Vermogen in het buitenland” (project), dat op 1 september 2014 is gestart, heeft het college een risicoprofiel opgesteld voor onderzoek. Geselecteerd zijn personen die een geboorteplaats buiten Nederland hebben, sinds 2010 één of meerdere keren langer dan 29 dagen met vakantie in het buitenland zijn geweest en een lopende uitkering ontvangen. Uit de aldus geselecteerde bijstandsgerechtigden heeft het college een steekproef getrokken. Appellante paste in het profiel en viel in de steekproef.

1.3.

In het kader van het project heeft met tussenkomst van het Internationaal

Bureau Fraude-informatie (IBF) een medewerker van het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade in Ankara (rapporteur) in opdracht van de gemeente Utrecht een onderzoek in Turkije gestart naar het bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije en de resultaten neergelegd in een Rapportage vermogensonderzoek van 2 december 2014. Uit het door de rapporteur op 27 november 2014 bij de afdeling onroerende zaakbelasting (OZB) van de gemeente [gemeente] in Turkije verrichte onderzoek blijkt dat bij deze afdeling sinds

27 juli 2001 een woning op naam van appellante staat geregistreerd op het adres

[adres] (woning). De rapporteur heeft dezelfde dag een buurtonderzoek verricht, waarbij hij bij de woning een gesprek heeft gevoerd met de moeder van appellante. De moeder van appellante heeft verklaard dat in 2001 de woning op naam van appellante is overgezet uit vrees dat de toenmalige echtgenoot van de moeder deze woning van haar zou afnemen. De actuele waarde van de woning is op 27 november 2014 door een lokale taxateur vastgesteld op

80.000,- Turkse Lira (omgerekend € 28.880,-). Op 14 april 2015 is de woning weer op naam van de moeder komen te staan.

1.4.

Vervolgens heeft een handhavingsspecialist van het team Handhaving van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) een vervolgonderzoek verricht. In dit kader zijn onder meer de uit- en inreisstempels in het paspoort van appellante en de bij- en afschrijvingen op haar bankrekening gecontroleerd. Tevens heeft op

21 januari 2015 een gesprek met appellante plaatsgevonden. Appellante heeft tijdens dit gesprek verklaard dat haar moeder de woning in Turkije bewoont en dat de feitelijke eigendom bij haar moeder ligt. Uit de controle van de stempels bleek dat appellante haar verblijf in het buitenland van 13 juli 2014 tot 16 augustus 2014 niet aan het college heeft gemeld. Voorts bleek uit raadpleging van de bankgegevens van appellante dat op haar bankrekening op 31 december 2013 een bedrag van € 1.500,- en op 30 januari 2014 een bedrag van € 500,- is gestort. Appellante heeft hierover verklaard dat zij deze bedragen heeft geleend van een vriendin. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in Rapportage handhaving van 23 februari 2015.

1.5.

In de onder 1.4 en 1.5 weergegeven onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 24 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2015 (bestreden besluit 1):

- de bijstand van appellante in te trekken vanaf 1 februari 2015 op de grond dat appellante

geen melding heeft gemaakt van de op haar naam geregistreerde woning met een getaxeerde

waarde boven de voor haar geldende vermogensgrens;

- de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2015 tot en met

28 februari 2015 tot een bedrag van € 912,79 van appellante terug te vorderen;

- de bijstand van appellante te herzien over de periode van 1 december 2013 tot en met

31 januari 2014 op de grond dat de stortingen op de bankrekening van appellante als

inkomsten dienen te worden aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden

gebracht;

- de bijstand van appellante over de periode van 28 juli 2014 tot en met 16 augustus 2014 in

te trekken wegens langer verblijf in het buitenland dan de toegestane duur en

- de gemaakte kosten van bijstand over die perioden van appellante terug te vorderen tot een

bedrag van in totaal € 2.891,23.

1.6.

Bij besluit van 30 maart 2015, eveneens na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 3.226,-. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gemeld dat zij sinds 2001 een woning in Turkije bezit, evenmin dat zij langer in het buitenland heeft verbleven dan is toegestaan en tot slot dat zij geen melding heeft gemaakt van de stortingen op haar bankrekening. Het college heeft opzet aangenomen voor alle gedragingen en de hoogte van de boete vastgesteld op 100% van het totale benadelingsbedrag.

1.7.

Appellante heeft zich op 23 april 2015 gemeld voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand en de aanvraag op 12 juni 2015 ingediend. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 29 juni 2015, zoals aangepast bij besluit van 23 september 2015, afgewezen. Bij besluit van 24 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, gelet op de onduidelijkheid over haar vermogenspositie, niet aannemelijk gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover dat ziet op de boete, het besluit van 30 maart 2015 herroepen, de boete vastgesteld op € 3.210,- en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Over de mate van verwijtbaarheid in verband met het niet melden door appellante van de stortingen op haar bankrekening en van het bezit van vermogen in Turkije, heeft de rechtbank overwogen, dat het college er niet in is geslaagd aan te tonen dat appellante opzettelijk haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank acht wel grove schuld aanwezig voor deze gedragingen en is daarom voor de vaststelling van de boete voor deze gedragingen uitgegaan van 75% van het benadelingsbedrag. Voor het niet melden van het verblijf in het buitenland heeft de rechtbank het college gevolgd in zijn standpunt dat sprake was van opzet. De rechtbank is daarom voor de vaststelling van de boete voor deze gedraging uitgegaan van 100% van het benadelingsbedrag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

Intrekking en terugvordering

4.1.

Zoals ter zitting door appellante is bevestigd, is in hoger beroep alleen nog in geschil de intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2015 wegens het beschikken over vermogen boven de voor appellante geldende vermogensgrens en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2015 tot en met 24 maart 2015.

4.2.

Een belanghebbende is ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW verplicht om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het college bij het onderzoek in het kader van het project heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie zoals neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten door een groep mensen te onderzoeken die geboren zijn in Turkije en/of langer dan 29 dagen in Turkije hebben verbleven. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1544, waarin ook het onderzoek door het college aan de orde was dat was uitgevoerd in het kader van het project, heeft de Raad overwogen dat het in het kader van het project gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is en de door appellante genoemde bepalingen niet zijn geschonden. Appellante heeft geen beroepsgronden aangevoerd die in het voorliggende geschil tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Voor de motivering wordt dan ook volstaan met een verwijzing naar die uitspraak.

4.4.

De beroepsgrond dat het onder 1.3 genoemde bezoek aan de woning wegens strijd met artikel 8 van het EVRM onrechtmatig was en dat daarom de bevindingen van het onderzoek niet aan bestreden besluit 1 ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. De aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde bevindingen zijn immers niet gebaseerd op informatie die is verkregen tijdens het bezoek van de rapporteur aan de woning in Turkije op 27 november 2014 en het toen bij deze woning met de moeder van appellante gevoerde gesprek.

4.5.

Appellante heeft verder, kort weergegeven, aangevoerd dat zij geen vermogen heeft dat in de weg staat aan de verlening van bijstand, aangezien zij niet kan beschikken over de woning en de woning bovendien een waarde heeft die lager is dan de voor haar geldende vermogensgrens. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.

Appellante stond in de te beoordelen periode in het OZB-register van [gemeente] als belastingplichtige geregistreerd van de onder 1.3 genoemde onroerende zaak. Zoals is overwogen in de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3136, wordt in Turkije voor de OZB de eigenaar van een onroerende zaak als belastingplichtige aangemerkt. Indien een onroerende zaak in een OZB-register op naam van een betrokkene staat genoteerd, is daarom de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In deze situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.7.

Appellante is daarin niet geslaagd. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet over de woning kon beschikken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de PW, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Uit het door appellante overgelegde eigendomsbewijs (tapu senedi) van de woning blijkt dat de woning volledig op haar naam geregistreerd stond en met ingang van 14 april 2015 door verkoop op naam van haar moeder is geregistreerd. Hieruit volgt dat appellante de woning heeft kunnen verkopen en aldus daarover heeft kunnen beschikken. Uit de door appellante overgelegde en niet vertaalde

tapu senedi van 27 juli 2001 valt slechts op te maken dat op die datum de woning op naam van appellante is gezet. Uit dit document volgt niet, anders dan appellante heeft gesteld, dat de beschikkingsmacht van appellante over de woning op enigerlei wijze was beperkt. De onderliggende motieven om tot deze overdracht over te gaan, zijn daarom niet relevant. Dat de overige erfgenamen van haar ouders een civiele procedure tegen appellante zouden zijn gestart bij eventuele verkoop van de onroerende zaak wegens benadeling van deze erfgenamen, zoals eveneens door appellante gesteld, heeft appellante niet onderbouwd en maakt het voorgaande ook niet anders. Vergelijk de uitspraak van 26 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1936.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het college de woning terecht heeft gerekend tot het vermogen van appellante waarover zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Het college heeft bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak mogen uitgaan van de in het kader van het vermogensonderzoek van het IBF verrichte taxatiewaarde van € 28.880,-. Appellante heeft met het door haar in beroep overgelegde ongedateerde, zeer summiere en niet onderbouwde taxatieverslag niet aannemelijk gemaakt dat de waarde als vermeld in het IBF-rapport te hoog is vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2869) volgt dit evenmin uit het verkoopbedrag, zoals dat op de

tapu senedi van 14 april 2015 is vermeld.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat appellante in de te beoordelen periode de beschikking had over vermogen boven de grens van het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Appellante heeft daarvan geen melding gemaakt bij het college, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aangezien appellante als gevolg daarvan ten onrechte bijstand heeft ontvangen, was het college verplicht de bijstand over deze periode in te trekken.

4.10.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat zij al jaren in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert met jonge kinderen en dat zij gezondheidsklachten heeft. Omdat niet is gebleken dat deze omstandigheden het gevolg zijn van de terugvordering, slaagt het beroep van appellante op dringende redenen daarom al niet.

Boete

4.11.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.

4.12.

Van toepassing zijn artikel 18a van de PW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.13.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Boetebesluit kan het bestuursorgaan afzien van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,-.

4.14.

Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspaak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801) volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Het is aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

4.15.

Ter zitting heeft het college zich nader op het standpunt gesteld dat het college en de rechtbank de hoogte van de boete in verband met het niet melden van vermogen in het buitenland en de stortingen op eigen rekening niet juist hebben vastgesteld. Nu het niet melden van het vermogen in het buitenland niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag had volgens het college moeten worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Voor wat betreft het niet melden van de stortingen moet volgens het college bij de bepaling van de hoogte van de boete worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid zodat een bedrag van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Appellante heeft ter zitting verklaard zich te kunnen verenigen met dit door het college ingenomen nadere standpunt. Gelet hierop en gelet op het voorgaande onder 4.14 acht de Raad een waarschuwing wegens het niet melden van het vermogen in het buitenland en een bedrag van 50% van het benadelingsbedrag wegens het niet melden van de stortingen, juist.

4.16.

Voor wat betreft het niet doorgeven van het verblijf van appellante buiten Nederland volgt het college het oordeel van de rechtbank dat bij afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet worden uitgegaan van grove schuld. Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat van grove schuld geen sprake was. Zij heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij de vakantieperioden altijd heeft doorgegeven, maar dat dit in 2014 niet goed ging. Het digitaal doorgeven van haar vakantieperiode in dat jaar is haar niet geluk. Ook heeft zij erop gewezen dat, gelet op de hoeveelheid zaken die zich tegen appellante opstapelen, het opleggen van een boete geen toegevoegde waarde heeft.

4.17.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een situatie van verminderde verwijtbaarheid. Daarentegen is het college er ook niet in geslaagd aan te tonen dat de schending van de inlichtingenverplichting berust op grove schuld van appellante. Dat appellante wist dat zij een verblijf in het buitenland diende te melden aan het college, is namelijk geen omstandigheid die zich in doorslaggevende mate onderscheidt van gewone verwijtbaarheid. Dit betekent dat voor deze gedraging bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet worden uitgegaan van gewone verwijtbaarheid, zodat daarvoor een bedrag van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen.

Nieuwe aanvraag

4.18.

De hier te beoordelen periode loopt van 23 april 2015 tot en met 29 juni 2015.

4.19.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.20.

Appellante heeft - samengevat - aangevoerd dat, gelet op het verkoopbedrag, zoals vermeld op de tapu senedi van de verkoop aan haar moeder op 14 april 2015 van de woning, en de sinds februari 2015 ontstane schulden, zij voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft in de hier te beoordelen periode onvoldoende duidelijkheid verschaft over de opbrengst uit de overdracht van de woning op 14 april 2015, wat er met die opbrengst is gebeurd en in hoeverre zij in de te beoordelen periode daarover nog beschikte. Hierbij moet ook in aanmerking worden genomen dat niet duidelijk is of het op de tapu senedi genoemde verkoopbedrag de reële marktwaarde weergeeft. De overgelegde tapu senedi is een uittreksel uit het eigendomsregister waarbij de gegevens worden aangedragen door vervreemder en verkrijger van de onroerende zaak. Daarbij is van belang dat de onroerend zaakbelasting plaatsvindt naar opgave van de belastingplichtige eigenaar die baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. Zie in dit verband bijvoorbeeld de onder 4.8 genoemde uitspraak. Als gevolg van deze onduidelijkheid over het vermogen, is de door appellante voorgestane saldering met haar schulden niet mogelijk en kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.

4.21.

Tot slot heeft appellante een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat het college in een soortgelijk geval wel bijstand heeft verstrekt en heeft hiertoe verwezen naar een BSN-nummer. Met de enkele verwijzing naar een BSN-nummer heeft appellante onvoldoende onderbouwd om welk gelijk geval het gaat. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

Conclusie

4.22.

Uit 4.15 tot en met 4.17 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 3.210,-. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht de boete bepalen op 50% van het netto benadelingsbedrag van in totaal € 2.313,81, wat neerkomt op een boete van € 1.156,91. Deze boete acht de Raad hier passend en geboden. Uit 4.8, 4.9, 4.20 en 4.21 volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige dient te worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het bedrag van de boete

heeft vastgesteld op € 3.210,-;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 1.156,91 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het besluit van

16 juli 2015;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M.M. van Dalen

md