Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
17/1030 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan haar van € 2.500,- door [BV 1] op 2 april 2015 en van € 1.200,- door de Stichting [Stichting] op 14 oktober 2015 kunnen worden aangemerkt als de terugbetaling van een lening, wordt onderschreven. Ook in hoger beroep geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt van terugbetaling van leningen. Betalingen aan appellante terecht in mindering gebracht op de aan haar toegekende uitkering wegens betalingsonmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1030 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

17 januari 2017, 16/2354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J.H. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Namens appellante is verschenen mr. K. Karapetyan, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 1 januari 2015 werkzaam geweest als secretarieel medewerkster voor 40 uur per week in dienst van [BV 1] ( [BV 1] ). Bij vonnis van 28 oktober 2015 is [BV 1] door de rechtbank Overijssel in staat van faillissement verklaard. Op 2 november 2015 heeft de curator de tussen appellante en [BV 1] bestaande arbeidsovereenkomst opgezegd. Op 10 november 2015 heeft appellante een aanvraag overname betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet bij het Uwv ingediend.

1.2.

Bij besluit van 26 april 2016 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering wegens betalingsonmacht van de werkgever. Het Uwv heeft daarbij een bedrag van € 3.700,- op de uitkering in mindering gebracht wegens reeds ontvangen loon. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante op 2 april 2015 een bedrag van € 2.500,- heeft ontvangen van [BV 1] en op 14 oktober 2015 een bedrag van € 1.200,- van de Stichting Alles. Niet is gebleken dat op appellante een rechtens afdwingbare verplichting rust tot terugbetaling van deze bedragen en er ook geen enkele terugbetaling heeft plaatsgevonden van deze bedragen. Daarom moet worden aangenomen dat bij deze betalingen sprake is van een voorschot op het loon van de werkgever en kunnen deze betalingen niet worden gekwalificeerd als een lening. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het zich onder de gedingstukken bevindende onderzoeksrapport van 6 april 2016 blijkt dat de € 2.500,- die appellante op 2 april 2015 van [BV 1] heeft ontvangen, in de boekhouding van deze werkgever is opgenomen als betaling van nettoloon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hier een terugbetaling zou betreffen van een aan [BV 2] verstrekte lening van € 2.500,- die op dezelfde dag via haar werkgever [BV 1] zou zijn terugbetaald dan wel gerelateerd dient te worden aan bedragen die zij op 2 april 2015 aan

[BV 2] en [BV 3] heeft overgemaakt. Appellante heeft hiervan geen onderliggende bewijsstukken aan het Uwv overgelegd. Dat de overboekingen in goed vertrouwen zouden zijn overgemaakt zonder schriftelijke overeenkomsten, dient naar het oordeel van de rechtbank voor eigen rekening en risico van appellante te blijven. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de betaling van € 2.500,- die appellante op 2 april 2015 van [BV 1] heeft ontvangen, moet worden gezien als loon wat in de periode van januari tot en met augustus 2015 door [BV 1] reeds aan appellante is betaald en dat het Uwv daarom terecht heeft verrekend met de aan appellante toegekende uitkering wegens betalingsonmacht.

2.2.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de aan appellante gedane betaling van € 1.200,-, afkomstig van de Stichting [Stichting] , aangemerkt dient te worden als betaling van loon. Appellante heeft immers eerder een loonbetaling van deze stichting ontvangen alsmede meerdere vergoedingen van onkosten. Bovendien heeft de curator in het faillissement van de stichting aangegeven dat er geen sprake (meer) is van leningen die teruggevorderd gaan worden. De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat het Uwv genoemd bedrag terecht op de aan appellante verstrekte uitkering in mindering heeft gebracht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat het bedrag van in totaal € 3.700,- ten onrechte in mindering is gebracht op haar uitkering. Op 2 april 2015 heeft appellante op verzoek van haar vader, directeur van [BV 2] , een bedrag van € 2.500,- overgeboekt naar de bankrekening van deze holding en op dezelfde dag heeft appellante, conform afspraak, een bedrag van € 2.500,- terugontvangen van [BV 1] , waarvan haar vader eveneens directeur was. Om deze reden is volgens appellante geen sprake van te veel betaald loon, maar van het terugbetalen van een lening aan haar. Met betrekking tot de overboeking van € 1.200,- door de Stichting [Stichting] , waarvan de vader van appellante bestuurder was, is volgens appellante ook sprake van het terugbetalen van een lening en niet van de betaling van een voorschot op het loon.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan haar van € 2.500,- door [BV 1] op 2 april 2015 en van € 1.200,- door de Stichting [Stichting] op 14 oktober 2015 kunnen worden aangemerkt als de terugbetaling van een lening, wordt onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van de terugbetaling van leningen.

4.2.

Nu namens appellante ter zitting uitdrukkelijk is verklaard dat in dat geval de betalingen moeten worden gezien als loon dat in de periode van januari 2015 tot en met augustus 2015 door [BV 1] aan appellante is betaald, heeft het Uwv deze bedragen terecht in mindering gebracht op de aan haar toegekende uitkering wegens betalingsonmacht.

4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC