Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
17/3352 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel ten onrechte opgelegd. Niet meewerken aan voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft geweigerd in het weekend te werken. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant wist dat dat hij ook in het weekend moest werken. Er is geen grondslag voor een maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3352 PW

Datum uitspraak: 26 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 april 2017, 16/8888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gulickx. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.A.A. Govers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Appellant heeft een re-integratietraject gevolgd bij Stichting [Stichting] . Eerst heeft appellant een opleidingstraject doorlopen, waarna hij geschikt is geacht voor bemiddeling naar werk bij [werkgever] (werkgever). Op dinsdag 12 juli 2016 hebben appellant en vertegenwoordigers van de werkgever en het arbeidsbemiddelingsbedrijf een proefplaatsingsovereenkomst ondertekend. Hierin is overeengekomen dat appellant met ingang van 14 juli 2016 op basis van een proefplaatsingsovereenkomst voor de duur van twee maanden met behoud van uitkering voor minimaal 24 uur en maximaal 32 uur per week werkzaam zal zijn als schoonmaker in de horeca. Bij gebleken geschiktheid komt appellant aansluitend in aanmerking voor een arbeidscontract voor minimaal zes maanden. Op woensdag 20 juli 2016 heeft een medewerker van Stichting [Stichting] aan het college bericht dat de werkgever niet verder wil met appellant omdat hij heeft geweigerd in het weekend te werken.

1.3.

Bij besluit van 29 juli 2016 heeft het college de bijstand van appellant over de maand september 2016 bij wijze van maatregel verlaagd met 100%. Bij besluit van 4 november 2016 (bestreden besluit) heeft de commissie Sociaal Domein (commissie SD) namens het college het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Appellant is een arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW niet nagekomen. Appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden omdat hij heeft geweigerd in het weekend te werken. De werkgever heeft appellant voorafgaand aan de proefplaatsing meegedeeld dat het werk werd verricht verdeeld over zeven dagen in de week en appellant kon hieruit afleiden dat ook in het weekend werd gewerkt. Op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 van de

gemeente Breda (Verordening) moet in geval van een weigering algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden een maatregel voor de duur van twee maanden worden opgelegd. Hierin wordt aanleiding gezien voor een wijziging van de duur van de maatregel van één maand om de reden dat het bezwaar niet ten nadele van appellant mag werken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het bestreden besluit is namens het college door de commissie SD genomen. De Raad stelt vast, met verwijzing naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

19 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4473), dat de bevoegdheid van het college om op een bezwaar te beslissen niet rechtmatig aan de commissie SD is gemandateerd. De commissie SD was dan ook niet bevoegd om in mandaat te beslissen op het bezwaar van appellant. Dit betekent dat het bestreden besluit niet bevoegd is genomen. Uit deze rechtspraak volgt en ter zitting in hoger beroep is ook besproken dat het college heeft meegedeeld dat hij besluiten van de commissie SD voor zijn rekening neemt, zodat, gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de onbevoegdheid van de commissie SD geen reden is gelegen het bestreden besluit niet in stand te laten. Voor de conclusie in het bestreden besluit dat appellant een arbeidsverplichting in artikel 18, vierde lid, van de PW niet is nagekomen ligt dat anders. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Op grond van het vierde lid verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:

a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

[…]

h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.2.

Op grond van het vijfde lid verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden.

4.2.3.

Aan het vijfde lid is, ten tijde hier van belang, toepassing gegeven bij de Verordening. Op grond van artikel 7, onder b, van de Verordening, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang, wordt bij het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a en h, van de PW een maatregel opgelegd voor de duur van twee maanden. Om de in de laatste zin van 1.3 vermelde reden is in dit geval een maatregel opgelegd voor de duur van één maand.

4.3.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat appellant de verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW niet is nagekomen.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de proefplaatsing van appellant met behoud van bijstand moet worden aangemerkt als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. De omstandigheid dat bij goed functioneren tijdens de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht is gesteld, betekent niet dat deze proefplaatsing moet worden gekwalificeerd als algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW.

4.5.

Het college heeft het standpunt ingenomen dat appellant de in 4.4 vermelde verplichting niet is nagekomen omdat hij heeft geweigerd in het weekend te werken, terwijl het hem voorafgaand aan de proefplaatsing duidelijk was dat ook in het weekend werd gewerkt. Voor dit standpunt zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. In artikel 5 van de in 1.2 vermelde proefplaatsingsovereenkomst is bepaald dat de duur en het tijdstip van de werkzaamheden bij aanvang worden vastgesteld. Deze overeenkomst bevat geen afspraken over werken in het weekend. Dat de werkgever appellant voorafgaand aan de proefplaatsing heeft meegedeeld dat het werk werd verricht verdeeld over zeven dagen in de week en dat appellant hieruit kon afleiden dat ook in het weekend werd gewerkt, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. Appellant is op 14 juli 2016 begonnen met de werkzaamheden. De

WhatsApp-berichten tussen de werkgever en appellant zijn van na die datum en leiden niet tot een ander oordeel. Hieruit volgt dat de werkgever in het weekend van 16 en 17 juli 2016 heeft geappt dat hij appellant tevergeefs heeft geprobeerd te bellen en dat appellant maandag niet meer hoeft te werken. Appellant heeft geantwoord dat hij wel wil werken, maar niet in het weekend. De werkgever heeft hierop meegedeeld dat hij appellant van te voren heeft meegedeeld dat op zeven dagen in de week wordt gewerkt, wat appellant direct heeft ontkend.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat appellant de verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW niet is nagekomen. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een toereikende feitelijke grondslag mist.

4.7.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, is er geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. Het besluit van 29 juli 2016 wordt daarom herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 512,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 november 2016;

- herroept het besluit van 29 juli 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit van 4 november 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) E. Stumpel

md