Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
14/6986 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:10244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben hun bevindingen op deugdelijk eigen onderzoek gebaseerd en daarbij inzichtelijk de informatie van de behandeld artsen betrokken. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan de door de Raad geraadpleegde deskundigen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 april 2013 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 6986 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 december 2014, 14/573 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

Vervolgens is het onderzoek heropend. De Raad heeft G.T. Gerssen, psychiater, benoemd als deskundige. Deze deskundige heeft op 24 juli 2017 een rapport uitgebracht. Daarna heeft de Raad dr. I. van der Lee, longarts, benoemd als deskundige. Van der Lee heeft op 23 juli 2018

een rapport uitgebracht. Partijen hebben gereageerd naar aanleiding van de rapporten van de deskundigen

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk gewerkt als administratief medewerkster. Zij heeft zich op

4 juli 2011 ziek gemeld vanwege longklachten en psychische klachten. Het Uwv heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 14 mei 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 juli 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van

17 januari 2014 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de medische beoordeling van het Uwv.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv haar klachten hebben onderschat.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante per 1 juli 2013 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of er aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 april 2013.

4.2.

Teneinde de beantwoording mogelijk te maken van de onder 4.1 gestelde vraag zijn de onder procesverloop genoemde deskundigen ingeschakeld.

4.3.

Psychiater Gerssen heeft geconcludeerd dat bij appellante op 1 juli 2013 sprake was van een dysthyme stoornis in remissie, een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en sombere stemming en een paniekstoornis met agorafobie. Ook was er sprake van longproblematiek. Volgens Gerssen is met de FML van 9 april 2013 voldoende rekening gehouden met appellantes psychische klachten. Tevens heeft Gerssen geconcludeerd dat een urenbeperking niet noodzakelijk is.

4.4.

Longarts Van der Lee heeft vastgesteld dat appellante lijdt aan COPD, gekenmerkt door een lichte luchtwegobstructie en lichte diffusiestoornis met frequente exacerbaties. De deskundige heeft vermeld dat er enkele malen per jaar sprake is van een toename van de longklachten met, in het geval van appellante, een gevoel van ziek zijn met koorts, flink hoesten en kortademigheid bij lichte inspanning. Doorgaans wordt een dergelijke longaanval behandeld met een kuur antibiotica en/of prednison. De herstelfase na een aanval duurt enkele weken en zal impact hebben op het arbeidsvermogen. Alle medische gegevens overziende is de deskundige tot de conclusie gekomen dat in de FML van 9 april 2013 voldoende rekening is gehouden met de longproblematiek van appellante.

4.5.

Namens het Uwv heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het rapport van Van der Lee te kennen gegeven dat er geen aanleiding is tot aanpassing van de FML omdat het maximale verzuim als gevolg van de longaanvallen niet excessief is.

4.6.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben hun bevindingen op deugdelijk eigen onderzoek gebaseerd en daarbij inzichtelijk de informatie van de behandeld artsen betrokken. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan de door de Raad geraadpleegde deskundigen.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 april 2013 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

4.8.

Gezien wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) P. Boer

md