Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/2216 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overwegingen rechtbank met betrekking tot door Uwv aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag worden onderschreven. Wat door appellante in hoger beroep over de urenbeperking is aangevoerd, is in essentie een herhaling. Niet gebleken dat de vastgestelde urenbeperking, zoals neergelegd in de FML van 18 juli 2016, onjuist is. Oordeel rechtbank over de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting in de functies wordt niet gevolgd. Onvoldoende staat vast dat in de geselecteerde functies aan de door de deskundige gestelde voorwaarde wordt voldaan. Niet vast komen staan dat thans geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag kunnen worden gelegd. Opdracht aan Uwv om nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2216 WIA

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de op 23 februari 2017 gerectificeerde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 februari 2017, 15/306 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Staal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was laatstelijk werkzaam als software engineer gedurende 32 uur per week. Op

14 september 2009 is zij voor dit werk uitgevallen. Na afloop van de wachttijd heeft het Uwv aan appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 62%. Appellante heeft zich met ingang van 12 juli 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 15 juli 2014 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar WGA loonaanvullingsuitkering met ingang van 13 juli 2013 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,83%. Bij besluit van 30 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 juli 2014 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 73,3%.

2.1.1.

De rechtbank heeft aanleiding gezien klinisch neuropsycholoog C.M.T. Schilder als deskundige te benoemen. In haar rapport van 7 juni 2016 komt Schilder tot de conclusie dat het aannemelijk is dat op de datum in geding, 13 juni (lees: juli) 2013, sprake was van auditieve prikkelgevoeligheid. Schilder kan instemmen met de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 december 2014 vastgelegde beperkingen, behalve op het onderdeel duurbelasting. Daarover heeft Schilder naar voren gebracht dat appellante vanwege de vermoeibaarheid niet in staat was om op gedurende 6 uur per dag en 30 uur per week te werken. Naar aanleiding van het rapport van Schilder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 juli 2016 het standpunt ten aanzien van de urenbeperking gewijzigd. Hij heeft in een nieuwe FML van 18 juli 2016 de urenbeperking aangescherpt tot 4 uur per dag en 20 uur per week.

2.1.2.

De rechtbank heeft Schilder niet gevolgd voor zover uit het rapport af te leiden zou zijn dat appellante volledig arbeidsongeschikt is, nu dit slechts gebaseerd zou zijn op een verdergaande urenbeperking. Op het punt van de urenbeperking heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat er geen medisch objectiveerbare aanknopingspunten zijn om een verdergaande urenbeperking aan te nemen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het rapport van Schilder niet kan worden afgeleid dat met de urenbeperking van ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week in passende arbeid onvoldoende tegemoet is gekomen aan de belastbaarheid van appellante.

2.2.1.

Schilder heeft tevens geconcludeerd dat de geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zijn vanwege het omgevingsgeluid. Volgens Schilder moeten de werkzaamheden bij alle functies uitgevoerd worden in een ruimte met een aanmerkelijke hoeveelheid omgevingsgeluid, zoals meerdere collega’s in een ruimte, lopende banden en machines. Naar aanleiding van de FML van 18 juli 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op

27 juli 2016 nader gerapporteerd en geconcludeerd dat één van de eerder geselecteerde functies binnen de SBC-code 111190 komt te vervallen vanwege de aanscherping van de urenbeperking. Na hernieuwde raadpleging van het CBBS heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in dezelfde SBC-code een vervangende passende functie gevonden. Hierdoor is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd vastgesteld op 73,3%. Over het omgevingsgeluid heeft deze arbeidsdeskundige gerapporteerd dat in de geselecteerde functies geluidsbelasting niet kenmerkend is.

2.2.2.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit op een onvoldoende motivering berust, nu uit het deskundigenonderzoek is gebleken dat appellante meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2016 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juli 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid alsnog deugdelijk heeft onderbouwd, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

3.1.

Appellante is het eens met de vernietiging van het bestreden besluit, maar heeft in hoger beroep de instandlating van de rechtsgevolgen aangevochten. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank de ingeschakelde deskundige ten onrechte niet om een nadere toelichting op het rapport en om commentaar op de reactie van het Uwv over de urenbeperking heeft gevraagd. Verder acht zij zich niet in staat is om gedurende 20 uur per week werkzaamheden te verrichten. De rechtbank is voorbij gegaan aan hetgeen dr. A.M.A. Brands, neuropsycholoog, naar voren heeft gebracht in een brief van 8 juni 2015. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat in de re-integratieperiode is gebleken dat appellante in staat was om viermaal vijf uur te werken. Appellante heeft in die periode geen duurzaam passende werkzaamheden verricht en dit heeft ook tot beëindiging van het dienstverband geleid. Bij de geselecteerde functies is de gevoeligheid van appellante voor auditieve prikkels onderbelicht gebleven. Zowel Schilder als Brands hebben gesteld dat appellante ook in een rustige omgeving een ernstige beperking ondervindt bij auditieve prikkels.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het was wenselijk geweest dat de rechtbank de commentaren van partijen op het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige aan deze deskundige had voorgelegd, maar een strikte gehoudenheid hiertoe bestaat niet.

4.2.

De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep aangenomen urenbeperking van 4 uur per dag worden onderschreven. De rechtbank heeft inzichtelijk besproken welke uitgangspunten aan haar overwegingen ten grondslag liggen. Wat appellante in hoger beroep over de urenbeperking heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van wat al in bezwaar en beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Daarmee is niet gebleken dat de vastgestelde urenbeperking, zoals neergelegd in de FML van

18 juli 2016, onjuist is.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank over de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting in de functies wordt niet gevolgd. Gelet op het rapport van de deskundige Schilder is appellante vanwege de verhoogde auditieve prikkelgevoeligheid aangewezen op een zeer stille werkomgeving waar zij de mogelijkheid heeft om zich af te zonderen. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2016 is niet gemotiveerd afgeweken van dit oordeel van de deskundige. Aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn, gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juli 2016, de functies inpakker, productiemedewerker textiel en samensteller geselecteerd. In deze functies wordt onder meer gewerkt aan inpaklijnen, werktafels en in een productiehal. Onvoldoende staat vast dat in de geselecteerde functies aan deze door de deskundige gestelde voorwaarde wordt voldaan. Voor de stelling dat appellante ook in een niet- prikkelarme omgeving gedurende langere tijd kan functioneren indien er minder beroep wordt gedaan op haar cognitieve vaardigheden, is geen steun te vinden in de beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van de deskundige Schilder. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de thans geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn te achten en aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag kunnen worden gelegd.

4.4.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordeling in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

6. Over het verzoek van appellante om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellante schade is geleden in verband met het vernietigde besluit. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of er aanleiding is voor schadevergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het beroep tegen de door het Uwv te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.J. van de Griend en E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) L. Boersma

CVG