Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/5293 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van een toename van beperkingen zoals bedoeld in artikel 55, eerste en derde lid, van de Wet WIA. Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5293 WIA

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2017, 17/852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 2010 onder andere vanwege breuken in beide polsen en de linkerelleboog uitgevallen voor zijn werkzaamheden als schoonmaker. Later heeft hij ook psychische klachten gekregen. Appellant was verder bekend met klachten door nierstenen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is opgesteld, zijn ook beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Het Uwv heeft bij besluit van 1 mei 2012 geweigerd appellant met ingang van 5 juni 2012 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2012 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellant heeft zich op 10 juni 2013 ziek gemeld in verband met nierstenen en een nierontsteking. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidwet. In verband met de nierontsteking is hij in juli 2013 geopereerd. Appellant heeft toen ook melding gemaakt van psychische klachten. In het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) is appellant bij besluit van 30 juni 2014 met ingang van 1 juli 2014 hersteld geacht voor de maatgevende arbeid. In het kader van zijn bezwaar tegen dit besluit is appellant onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep die de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML enigszins heeft aangepast en verder in een rapport van 9 september 2014 onder andere te kennen heeft gegeven dat hij geen ernstige psychiatrische symptomen heeft waargenomen. Het Uwv heeft het bezwaar tegen de hersteldverklaring ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard bij uitspraak van 20 maart 2015, welke uitspraak door de Raad bij uitspraak van

3 augustus 2016 is bevestigd.

1.3.

Appellant heeft zich door middel van brieven van 12 mei 2016 en 13 juni 2016 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van eind juni 2015. Hij heeft toegenomen psychische klachten en buikpijnklachten.

1.4.

Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht op het spreekuur. In een rapport van 19 juli 2016 stelt deze vast dat sprake is van beknelling van een buikzenuw (ACNES). Volgens deze arts is in de FML van 5 juni 2012 voldoende rekening gehouden met de psychische gesteldheid van appellant, de linkerschouder en de polsen. De kwetsbare nieren, de bloeddrukklachten en de klachten door de beknelling van de buikzenuw zijn geen gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als bij de WIA-beoordeling in 2012. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen.

1.5.

Het Uwv heeft bij besluit van 18 augustus 2016 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn mogelijkheden om te werken niet minder zijn geworden.

1.6.

Naar aanleiding van zijn bezwaar tegen dit besluit is appellant aansluitend aan de hoorzitting onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep die hem ook in 2014 in het kader van zijn bezwaar tegen de hersteldmelding had onderzocht. Deze arts heeft in een rapport van 9 februari 2017 onder meer vermeld dat appellant geen evidente psychiatrische problematiek heeft, er geen toename bestaat van beperkingen zoals eerder door hem in 2014 werden vastgesteld en dat de ernst van de psychische stoornis fors minder is. Er is voorts geen reden voor een arbeidsduurbeperking.

1.7.

Bij besluit van 9 februari 2017 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling door het Uwv onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat, afgezien van de recidiverende niersteen/uretersteenkolieken, geen ernstige lichamelijke of geestelijke afwijkingen zijn gevonden bij appellant en dat de psychische stoornis fors minder was dan bij de ZW-beoordeling in 2014. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het Uwv ter zitting heeft toegelicht dat de FML van 2014 een verbetering laat zien ten opzichte van de FML van 2012 en dat hieruit volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen toename van beperkingen aanwezig heeft geacht ten opzichte van 2012. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van een toename van beperkingen zoals bedoeld in artikel 55, eerste en derde lid, van de Wet WIA.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat zijn psychische klachten ten opzichte van de beoordeling vanaf 5 juni 2012 zijn toegenomen. In dit verband heeft appellant naar voren gebracht dat de behandeling van de klachten door de huisarts onvoldoende is. Hij is zeer prikkelbaar, heeft woede uitbarstingen, moeite met sociale contacten en slaapt zeer slecht. Zijn energieniveau is aanzienlijk verlaagd door zijn slaapproblemen, zijn psychische klachten en de pijnklachten in zijn buik en armen. Door deze klachten heeft hij ook een verhoogde recuperatiebehoefte. Er is daarom ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellant heeft verzocht om benoeming van een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige en heeft daarbij betoogd dat hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de bevindingen van de verzekeringsartsen te betwisten. Hij heeft een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg NOAGG (NOAGG) van 30 augustus 2017 ingebracht waarin deze verpleegkundige heeft verklaard dat hij geen geneeskundige verklaring wil geven, onder meer in verband met de geheimhoudingsplicht die zijn beroepscode met zich meebrengt. Appellant verkeert hierdoor, en omdat hij door het ontvangen van een bijstandsuitkering onvoldoende financiële middelen heeft om zelf een deskundige in te schakelen, in een ongelijke positie. In dit verband heeft appellant verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) (Korošec).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, zoals dat gold ten tijde in geding, ontstaat alsnog recht op een uitkering met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd. Ter beoordeling ligt de vraag voor of sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant binnen vijf jaar na 5 juni 2012.

4.2.

Appellant heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met psychische klachten en buikklachten door ACNES. Door appellant is niet betwist dat de buikklachten pas later zijn ontstaan en dus niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomen. In hoger beroep staat slechts ter beoordeling of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet alsnog arbeidsongeschikt is geworden door toename van psychische beperkingen.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of appellant in juni 2015 meer beperkingen heeft die voortkomen uit dezelfde oorzaak, dient in beginsel een vergelijking te worden gemaakt met de beperkingen die hij had op 5 juni 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellant onverminderd belastbaar is conform de FML van 9 september 2014. Nu verzekeringsartsen in het kader van de EWZb hebben vastgesteld dat de algemene psychische gezondheidstoestand van appellant in 2014 was verbeterd ten opzichte van zijn toestand in 2012, kan in deze zaak het standpunt van het Uwv gevolgd worden dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 februari 2017 ook volgt dat ten opzichte van 2012 de psychische beperkingen van appellant niet zijn toegenomen. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek volgt dat geen toename van de medische beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak kan worden vastgesteld.

4.4.

Wat betreft het beroep op Korošec wordt het volgende overwogen.

4.4.1.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat appellant vanaf 2011 afwisselend onder behandeling is geweest van het NOAGG en van de praktijkondersteuner voor geestelijke gezondheidszorg van de huisarts (POH GGZ). In het rapport van de verzekeringsarts van

19 juli 2016 is vermeld dat de gesprekken met de psycholoog van NOAGG zijn gestopt en appellant weer gesprekken had met de POH GGZ. In 2014 is appellant ook onder behandeling van de POH GGZ geweest. Het is niet duidelijk waarom appellant zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft door zijn psychische klachten niet heeft kunnen onderbouwen met argumenten dan wel informatie van zijn huisarts of de POH GGZ. Door appellant is ook niet uiteengezet waaruit de toename van zijn klachten heeft bestaan, van wanneer tot wanneer hij is behandeld door het NOAGG en waaruit de behandeling heeft bestaan. Uit het dossier blijkt niet dat hij ten tijde in geding onder behandeling was bij NOAGG. Met alleen de verklaring van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het NOAGG uit het jaar 2017 is onvoldoende gebleken dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn psychische beperkingen in juni 2015 heeft onderschat. Er kan daarom geen schending van het beginsel van equality of arms worden vastgesteld. Gelet hierop kan het door appellant gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.B. Kleiss, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.

(getekend) R.B. Kleiss

(getekend) D.S. Barthel

IJ