Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/5653 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroepsgronden in essentie een herhaling van gronden bezwaar en beroep. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Evenals de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Beroepsgronden afdoende besproken en terecht geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. Overwegingen rechtbank geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingediend die zijn stellingen ondersteunen. Geschiktheid voor geselecteerde functies is afdoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5653 ZW

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2017, 16/9496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ő. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

mr. Ű. Arslan, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als grondwerker voor 40 uur per week. Het dienstverband is op 7 december 2012 geëindigd. Appellant heeft zich op 29 april 2015 ziek gemeld met knie-, heup,- voet,- rug en prostaatklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

In het kader van een eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 12 april 2016 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 75,15% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 2 mei 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 3 juni 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij aandacht heeft besteed aan alle klachten van appellant en dat hij informatie van de huisarts en diverse specialistenberichten bij zijn beoordeling betrokken heeft. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de diverse in de FML weergegeven beperkingen. De door appellant in beroep overgelegde medische informatie van de behandelend orthopedisch chirurg heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid omdat hierin geen nieuwe, nog niet bij het Uwv bekende, medische informatie staat vermeld over de knieklachten van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank berust de medische grondslag van het bestreden besluit op goede gronden. Over de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de gronden die appellant heeft aangevoerd een herhaling zijn van wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 november 2016, waarin gemotiveerd op deze gronden is ingegaan, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de motivering te twijfelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant per 3 juni 2016 in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten en dat het Uwv terecht besloten heeft de ZW-uitkering van appellant te beëindigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. Samengevat stelt appellant zich op het standpunt dat zijn beperkingen door de artsen van het Uwv zijn onderschat en dat in de geselecteerde functies zijn beperkingen worden overschreden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellant is door zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur onderzocht en uit de rapporten blijkt dat daarbij aandacht is geweest voor alle door appellant geclaimde klachten. De artsen hadden tijdens de beoordeling van de belastbaarheid van appellant de beschikking over informatie vanuit de behandelend sector en uit de rapporten blijkt dat deze informatie door de artsen bij hun beoordeling is betrokken.

4.3.

Evenals de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.4.

Daaraan wordt toegevoegd dat appellant in hoger beroep geen medische stukken heeft ingediend die zijn stellingen ondersteunen. Dat hij meer beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen, vindt geen bevestiging in de beschikbare informatie. Dit is door de verzekeringsartsen inzichtelijk en overtuigend onderbouwd.

4.5.

De geschiktheid van appellant voor de door de arbeidsdeskundigen geselecteerde functies van produktiemedewerker metaal en elektro-industrie, medewerker intern transport en productiemedewerker industrie is afdoende gemotiveerd. Ook op dit punt wordt de aangevallen uitspraak onderschreven.

5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) L. Boersma

ew