Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
17/2409 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering terecht beëindigd. zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen aanknopingspunten om aan de bevindingen van de verzekeringsarts te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2409 WIA

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 maart 2017, 16/2429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als steigerbouwer voor 29,5 uur per week. Hij heeft zich met ingang van 20 juni 2011 ziek gemeld wegens rugklachten. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 17 juni 2013 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

1.2.

Naar aanleiding van een verzoek van appellant om herbeoordeling van zijn medische situatie wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 20 september 2015 is hij onderzocht op het spreekuur van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft de arbeidsbeperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

17 december 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 32,57%.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 29 januari 2016 vastgesteld dat appellant vanaf

30 maart 2016 geen recht meer heeft op een WGA-vervolguitkering omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 december 2015 minder dan 35% is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 8 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nieuw opgestelde FML van 20 mei 2016, geldig per 17 december 2015, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 18,96%. Appellant heeft recht op een WGA-vervolguitkering tot 14 september 2016. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 20 mei 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 11 juli 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen hebben inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant op medische gronden niet als volledig arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt. De in de FML opgenomen beperkingen zijn volgens de rechtbank afdoende toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank is door het Uwv op genoegzame wijze inzichtelijk gemaakt waarom de geduide functies voor appellant passend worden geacht. Het Uwv is bevoegd nieuwe functies te duiden waarbij rekening wordt gehouden met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML. De rechtbank is van oordeel dat appellant per 14 september 2016 in staat moet worden geacht deze algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen met name ten aanzien van de aspecten persoonlijk functioneren, aanpassen omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Appellant heeft daarom verzocht om een onderzoek door een onafhankelijke deskundige. Voorts heeft appellant gesteld dat zijn belastbaarheid wordt overschreden in de uiteindelijk geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en productiemedewerker papier, karton en drukkerij (SBC-code 111174), met name ten aanzien van de aspecten samenwerking, reiken en duwen/trekken. Tevens heeft appellant gesteld dat de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) net als de functie machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) moet worden verworpen omdat daarin sprake is van een verhoogd persoonlijk risico.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht en dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant met ingang van 14 september 2016 niet onjuist heeft vastgesteld, wordt onderschreven evenals de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunten om aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Appellant heeft benutbare mogelijkheden nu zich niet één van de situaties voordoet als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Er is dus terecht een FML opgesteld. De stelling van appellant dat in die FML onvoldoende beperkingen zijn aangenomen voor wat betreft het persoonlijk functioneren, aanpassen omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen kan evenmin slagen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de door appellant gestelde klachten en inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om appellant daarvoor verdergaand beperkt te achten. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingediend die aanknopingspunten geeft om aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Tegen die achtergrond bestaat er geen aanleiding voor het gelasten van een deskundigenonderzoek.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 20 mei 2016 en gezien de toelichting op de signaleringen zoals vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 juli 2016, wordt met de rechtbank geoordeeld dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en appellant in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Samenwerken
In de FML van 20 mei 2016 is bij het item samenwerken vermeld dat appellant beperkt is. Dat betekent dat appellant op grond van de Basisinformatie CBBS met anderen kan werken, maar met een eigen, van tevoren afgebakende deeltaak. In de functies met SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie, samenstellen van producten), SBC-code 272043 (productiemedewerker textiel, geen kleding) en SBC-code 111174 (productiemedewerker papier, karton, drukkerij) is de belastbaarheid op het beoordelingspunt samenwerken als volgt: geen kenmerkende belasting. Gelet hierop blijft de belasting wat betreft samenwerken bij deze functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant.

Reiken

Op het beoordelingspunt reiken is appellant niet beperkt. Dat betekent dat appellant op grond van de Basisinformatie CBBS ongeveer 70 cm moet kunnen reiken. Op het item frequent reiken tijdens werk is appellant licht beperkt. Dat betekent dat appellant op grond van de Basisinformatie CBBS zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer kan reiken.

In de functie met SBC-code 111180 is de belastbaarheid op het item reiken en frequent reiken als volgt: dagelijks meer dan 4 werkuren maximaal 1060 keer per uur, tijdens 8 werkuren 60 keer ongeveer 60 cm achtereen en tijdens 8 werkuren 1000 keer ongeveer 40 cm achtereen (tot ca. 1200 keer per uur). De arbeidsdeskundige bewaar en beroep heeft de belasting op dit item besproken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en geconcludeerd dat bij minder diepte van reiken een hogere frequentie mogelijk is. Het Uwv heeft daarmee afdoende gemotiveerd dat de belasting de belastbaarheid van appellant op dit beoordelingspunt niet wordt overschreden.
In de functies met SBC-code 272043 is de belastbaarheid op de beoordelingspunten reiken en frequent reiken als volgt: dagelijks tijdens meer dan 4 werkuren maximaal 600 keer per uur, tijdens 7,4 werkuren 200 keer ongeveer 60 cm achtereen en tijdens 7,4 werkuren 400 keer ongeveer 40 cm achtereen. Gelet hierop blijft de belasting wat betreft reiken bij deze functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant.

In de functies met SBC-code 111174 is de belastbaarheid op de beoordelingspunten reiken en frequent reiken als volgt: dagelijks tijdens meer dan 4 werkuren maximaal 560 keer per uur, tijdens 8 werkuren 60 keer ongeveer 70 cm achtereen en tijdens 8 werkuren 500 keer ongeveer 50 cm achtereen. Gelet hierop blijft de belasting wat betreft reiken bij deze functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant.

Duwen en trekken
Bij het beoordelingspunt duwen of trekken is vermeld dat appellant beperkt is. Dat betekent dat appellant – op grond van de Basisinformatie CBBS – ongeveer 10 kgf kan duwen of trekken (volle vuilniscontainer).
In de functie met SBC-code 111180 is er geen sprake van een kenmerkende belasting op dit beoordelingspunt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat het minder dan 5 kgf kost als er iets geduwd of getrokken moet worden. Dat betekent dat de belasting wat betreft duwen en trekken bij deze functies binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft van appellant.
In de functies met SBC-code 272043 is er geen sprake van een kenmerkende belasting op het beoordelingspunt duwen en trekken met als toelichting: “ca. 8-9 kgf aanzet, rijden 3 kgf. Ca. 6x per dag. Kar met dekbedden/slaapzakken. Enkele (10 tal) meters, afhankelijk van de werkplek.” De arbeidsdeskundige bewaar en beroep heeft de belasting op dit beoordelingspunt besproken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant op dit beoordelingspunt niet wordt overschreden.
In de functies met SBC-code 111174 is er geen sprake van een belasting op dit beoordelingspunt.

Persoonlijk risico
Bij het beoordelingspunt specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid is vermeld dat appellant beperkt is. Dat betekent dat appellant − op grond van de Basisinformatie CBBS – is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico met als toelichting: “vanwege medicatie, situaties vermijden waarbij gevaar voor letsel met bloeden verhoogd is”.

In de functie met SBC-code 111180 is sprake van een kenmerkende belasting op dit beoordelingspunt met als toelichting van de arbeidskundige analist: ‟werken met soldeerbout ter grootte van een pen. Deze gaat automatisch uit als hij in de houder geplaatst wordt”.
Met de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat het werken met een soldeerbout ter grootte van een pen niet valt onder werken met een verhoogd persoonlijk risico heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op dit aspect.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 14 september 2016 op goede gronden heeft vastgesteld op minder dan 35%. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van R. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC