Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
15/5939 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Standpunt appellant dat door verzekeringsarts bezwaar en beroep op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan de aanwijzingen van de deskundige wordt niet gevolgd. De grond dat ten onrechte de beperking “moet kunnen vertreden” in de aangescherpte FML is komen te vervallen slaagt evenmin. Geen aanleiding om aan juistheid van de toelichting door arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in hoger beroep te twijfelen. Mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 januari 2014 terecht vastgesteld op 37.79%. Deugdelijke motivering pas in hoger beroep. Uwv veroordeeld in proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5939 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 juli 2015, 15/2443 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts L. Greveling-Fockens heeft op

5 februari 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Bij besluit van 2 mei 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 januari 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,6%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv geen juiste uitvoering heeft gegeven aan wat de door de Raad geraadpleegde deskundige in haar rapport heeft vermeld. Zo zijn niet alle beperkingen op de juiste plaatsen overgenomen in de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 maart 2018 en is zonder gegronde reden de beperking dat appellant moet kunnen vertreden komen te vervallen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de aan de beoordeling ten grondslag liggende functies niet passend zijn en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in zijn rapport van 21 maart 2018, de signaleringen niet afdoende heeft toegelicht.

3.2.

Het Uwv kan zich vinden in de visie van de deskundige zoals die volgt uit haar rapport van 5 februari 2018. Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport een nieuwe FML opgesteld van 5 maart 2018, geldend per 15 januari 2015 en meent dat daarmee een juiste uitvoering is gegeven aan het rapport van de deskundige. Het Uwv is van mening dat de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven in deze FML en dat appellant daarmee in staat moet worden geacht de in de arbeidsmogelijkhedenlijst genoemde functies van samensteller elektrotechnische apparatuur (SBC‑code 267050), machinebediende

inpak-/verpakkingsmachine (SBC‑code 271093) en administratief medewerker

(SBC‑code 315090) te verrichten. Met wat appellant met die functies kan verdienen kan hij een zodanig inkomen verwerven dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid 37,79% bedraagt, wat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80% rechtvaardigt. Het Uwv heeft het bestreden besluit daarom gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Tussen partijen is, zo is ter zitting gebleken, met name in geschil de vraag of de verzekeringsarts bezwaar en beroep juiste uitvoering heeft gegeven aan wat de deskundige in haar rapport heeft geconcludeerd over de belastbaarheid van appellant per datum hier in geding.

4.3.

Uit het rapport van de deskundige blijkt dat zij appellant, ten opzichte van de FML van 17 april 2014, meer beperkt acht ten aanzien van het werken met veelvuldige storingen en onderbrekingen, veelvuldige deadlines of productiepieken, conflicthantering (licht beperkt) en schroefbewegingen met grote kracht beiderzijds. Uit de aangepaste FML blijkt dat appellant per datum in geding, overeenkomstig de door de deskundige benoemde aspecten, beperkt wordt geacht. Het standpunt van appellant dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan de aanwijzingen van de deskundige wordt niet gevolgd. De grond dat ten onrechte de beperking “moet kunnen vertreden” in de aangescherpte FML is komen te vervallen slaagt evenmin. Uit de FML blijkt dat beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de aspecten lopen, lopen tijdens het werk, staan, staan tijdens het werk en dat bij de aspecten zitten en zitten tijdens het werk de toelichting is opgenomen dat appellant af en toe moet kunnen vertreden. Nu de door appellant aangevoerde gronden ten aanzien van de juistheid van de aangepaste FML niet slagen, wordt bij de verdere beoordeling van de juistheid van het bestreden besluit uitgegaan van de belastbaarheid beschreven in de FML van 5 maart 2018.

4.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in zijn rapport van 21 maart 2018 voldoende ingegaan op de in hoger beroep aangevoerde gronden ten aanzien van de medische geschiktheid van de geselecteerde functies en heeft de voorkomende signaleringen nader toegelicht. Er wordt geen aanleiding gezien aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Met name is voldoende gemotiveerd dat in de geselecteerde functies voldoende gelegenheid is tot vertreden. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat in de FML niet is opgenomen dat een specifieke opeenvolging van verschillende houdingen vereist is.

4.5.

Hieruit volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

15 januari 2014 terecht heeft vastgesteld op 37.79%.

5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Omdat in hoger beroep zowel de medische als de arbeidskundige motivering is herzien, staat vast dat het bestreden besluit niet was voorzien van een deugdelijke motivering. Deze schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant door deze schending niet is benadeeld. De conclusie is dat het bestreden besluit in stand kan worden gelaten en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.792,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts komen de door appellant gemaakte reiskosten ten bedrage van € 44,80 voor vergoeding in aanmerking. Het totaal van de te vergoeden proceskosten komt hiermee op € 2.816,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.816,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.D. Alting Siberg

LO