Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17/5717 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden voor een eerdere ingangsdatum AIO-aanvulling dan de datum van de melding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5717 PW

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2017, 16/7354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Achttienribbe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1950, heeft op 1 oktober 2015 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Op 1 september 2015 heeft appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 20 november 2015 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 oktober 2015 een onvolledig AOW-pensioen toegekend.

1.2.

Op 25 januari 2016 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ingevolge de

Participatiewet (PW) in aanvulling op het onvolledige ouderdomspensioen, waarna hij de aanvraag op 4 februari 2016 heeft ingediend.

1.3.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de Svb aan appellant met ingang van 25 januari 2016 een AIO-aanvulling toegekend. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover het de ingangsdatum betreft.

1.4.

Bij besluit van 31 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 februari 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat uit artikel 43 en 44 van de PW voortvloeit dat de AIO-aanvulling moet worden toegekend met ingang van de dag van toekenning van het AOW-pensioen. Voorts is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellant met ingang van 1 oktober 2015 de AIO-aanvulling had moeten worden toegekend. Daarvoor heeft appellant aangevoerd dat de Svb appellant niet tijdig heeft geïnformeerd over het recht op een

AIO-aanvulling en het AOW-pensioen niet tijdig door de Svb is toegekend. Voorts heeft appellant schulden gemaakt en kon hij niet in zijn noodzakelijke kosten voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Uit artikel 47a, tweede lid, van de PW volgt dat deze bepaling ook van toepassing is op het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling door de Svb.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (uitspraak van 11 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:836), welke rechtspraak haar gelding heeft behouden, ook na de inwerkingtreding van de PW, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

Vaststaat dat appellant zich niet eerder dan op 25 januari 2016 heeft gemeld om een

AIO-aanvulling aan te vragen, zodat het recht op AIO-aanvulling in beginsel niet eerder dan per die datum bestaat.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de handelwijze van de Svb in de behandeling van de aanvraag om een AOW‑pensioen zorgvuldig was, en dat de Svb pas bij het toekenningsbesluit van 20 november 2015 appellant kon informeren over de mogelijkheid van een AIO-aanvulling. Dat appellant in de periode van 23 november 2015 tot 23 januari 2016 in Marokko verbleef en pas bij terugkomst kennis kon nemen van zijn post, komt voor zijn rekening en risico. Dat appellant, naar hij stelt, niet in zijn noodzakelijke kosten van het bestaan kon voorzien en daarom schulden heeft moeten maken, is evenmin aan te merken als een bijzondere omstandigheid als bedoeld onder 4.2. Vergelijk de uitspraak van 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1816.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) E. Stumpel

ij