Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
18/3464 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede afgewezen verzoek om terug te komen van afwijzend besluit op aanvraag bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3464 PW

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

23 mei 2018, 17/6258 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam moeder] , de moeder van appellant, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Namens appellant is [naam moeder] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.L. Bakker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft het college een op 13 december 2013 door appellant ingediende aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met ziekenhuisbezoek, tandartskosten en de kosten van een bril, afgewezen. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Ten aanzien van de reiskosten en de tandartskosten heeft het college geoordeeld dat deze kosten zich meer dan één maand voor de aanvraag hebben voorgedaan. Ten aanzien van de kosten van een bril heeft het college geoordeeld dat er een voorliggende voorziening is, namelijk de Zorgverzekeringswet. Daarom komen deze kosten volgens het college niet voor vergoeding in aanmerking.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 januari 2014. Hij heeft in dat kader aangevoerd dat hij zijn aanvraag had ingediend op grond van artikel 2 van de Beleidsregels bijzondere bijstand Nijkerk 2008, waarin staat dat aanvragen kunnen worden ingediend tot één jaar volgend op de maand waarin de kosten zijn gemaakt, en hij niet bekend was met het feit dat het college de beleidsregels in 2013 heeft gewijzigd, in die zin dat aanvragen om bijzondere bijstand uiterlijk binnen één maand nadat de kosten zich hebben voorgedaan moeten worden ingediend.

1.3.

Bij besluit op bezwaar van 24 juli 2014 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2014 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen, voor zover van belang, dat de Beleidsregels bijzondere bijstand 2013 op 13 maart 2013 zijn gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad “De Stad Nijkerk” en dat aan alle betrokkenen een Nieuwsbrief is verzonden. Tegen het besluit op bezwaar van 24 juli 2014 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.4.

Bij brief van 6 april 2015 heeft appellant het college verzocht terug te komen van het besluit van 23 januari 2014. Bij besluit van 23 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2015, heeft het college dat verzoek afgewezen. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

Bij brief van 8 maart 2017 heeft appellant het college opnieuw verzocht om terug te komen van het besluit van 23 januari 2014. Bij besluit van 12 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het in 1.4 genoemde verzoek van appellant strekt ertoe dat het college terugkomt van het besluit van 23 januari 2014. Het college heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3602).

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de aanvraag van 13 december 2013 bij besluit van

23 januari 2014 ten onrechte is afgewezen. Dat is volgens appellant het geval omdat de informatie op de website van de gemeente niet eenduidig was en het door het college gehanteerde beleid niet juist gepubliceerd was. Appellant stelt dat hij dit in de onder 1.2 genoemde bezwaarprocedure niet heeft aangevoerd omdat hij het in die procedure zonder hulp van een deskundige (advocaat) heeft moeten stellen. Gesubsidieerde rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand werd immers niet verleend indien sprake was van een op geld waardeerbaar belang van minder dan € 500,-. Zijn financiële omstandigheden waren destijds voorts zodanig dat hij de hulp van een advocaat niet zelf kon bekostigen. Appellant doet in dit verband een beroep op het beginsel van ‘equality of arms’ zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.4.

Met wat appellant heeft aangevoerd heeft hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin naar voren gebracht. De door appellant in het kader van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 23 januari 2014 aangevoerde redenen waarom hij zijn aanvraag om bijzondere bijstand niet tijdig heeft ingediend had appellant kunnen inbrengen in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 23 januari 2014. Dat geldt ook voor de niet onderbouwde stelling van appellant dat hij destijds financieel niet in staat was een deskundige (advocaat) in te schakelen.

4.5.

Wat appellant heeft aangevoerd is voorts onvoldoende om te oordelen dat het besluit om niet terug te komen van de beslissing van 23 januari 2014 evident onredelijk is.

5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2019.

(getekend) M. Hillen

(getekend) F. Demiroğlu

md