Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:559

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
18/1421 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een scholingsvoucher. Het Uwv heeft terecht gesteld dat appellant niet aan de voorwaarde voldoet, omdat hij destijds geen IOW- of WW-uitkering ontving, maar een Wajong-uitkering. Ook is niet gebleken dat appellant destijds werkzaamheden heeft verricht in loondienst of als zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1421 WW

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 februari 2018, 17/2315 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellant is verschenen. Het Uwv is – met bericht – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 1 maart 2017, door het Uwv ontvangen op 2 maart 2017, een scholingsvoucher op grond van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep (Regeling) aangevraagd. Op de aanvraag heeft hij vermeld dat hij de opleiding Digital Marketing wil volgen. De kosten daarvan bedragen € 2.195,-.

1.2.

Bij besluit van 21 april 2017 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen, op de grond dat het beschikbare budget voor de regeling inmiddels is opgebruikt.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het Uwv de aanvraag van appellant op 2 maart 2017 heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat het subsidieplafond is vermeld in de Regeling en dat deze daarmee op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank heeft geen grond gezien om de stelling van het Uwv dat het subsidieplafond al op 10 februari 2017 was bereikt in twijfel te trekken. Gelet op de wet- en regelgeving is er voor het Uwv geen mogelijkheid om van het subsidieplafond af te wijken en in strijd met de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant alsnog een scholingsvoucher toe te kennen. Er bestaat dan ook geen ruimte voor een belangenafweging, zoals appellant die voorstaat. Appellants stelling dat er ongetwijfeld nog een andere subsidiepot is van waaruit zijn scholing(-svoucher) kan worden betaald, kan appellant niet baten omdat het beschikbare budget voor de Regeling leidend is voor de vraag of appellant in aanmerking komt voor een scholingsvoucher.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel recht heeft op het maximale bedrag van een scholingsvoucher, omdat dit voor hem een mogelijkheid kan bieden zijn leven op orde te krijgen en een betaalde baan te verkrijgen. Appellant heeft tevens verzocht om een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, over de niet betaalde subsidie.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3329 en ECLI:NL:CRVB:2018:3340) te kennen gegeven aan de weigering om appellant in aanmerking te brengen voor een subsidie op grond van de Regeling niet langer de overschrijding van het subsidieplafond ten grondslag te leggen. Het Uwv is echter van mening dat appellant nog steeds niet voor een subsidie op grond van deze regeling in aanmerking komt, omdat hij niet voldoet aan de in de Regeling opgenomen voorwaarden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv het verzoek van appellant om in aanmerking te komen voor een scholingsvoucher terecht heeft afgewezen, omdat appellant volgens het Uwv niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een scholingsvoucher.

4.2.

In artikel 2 van de Regeling is bepaald wie tot de rechthebbende van de uitkering behoort. Dit artikel luidde ten tijde hier van belang:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor scholing aan de persoon die als werkzoekende bij UWV is geregistreerd, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en:

a. arbeid in loondienst verricht, dan wel vanwege het verricht hebben van dergelijke arbeid een IOW- of WW-uitkering ontvangt; of

b. als zelfstandige werkzaamheden verricht.

4.3.

Het Uwv heeft terecht gesteld dat appellant niet aan deze voorwaarde voldoet, omdat hij destijds geen IOW- of WW-uitkering ontving, maar een Wajong-uitkering. Ook is niet gebleken dat appellant destijds werkzaamheden heeft verricht in loondienst of als zelfstandige. Gelet hierop heeft het Uwv terecht vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een scholingsvoucher.

4.4.

Gelet op het feit dat het Uwv pas in hoger beroep heeft toegelicht dat appellant niet in aanmerking komt voor een scholingsvoucher omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Dit gebrek zal met toepassing van

artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit zal dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.

4.5.

Bij deze uitkomst is een schadevergoeding niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt bestaande uit reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. Deze bedragen € 11,80 in beroep en € 46,40 in hoger beroep, in totaal € 58,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 58,20;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md