Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
16/7306 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Uit de stukken volgt, anders dan appellante heeft gesteld, niet dat zij is uitbehandeld voor haar angst om bij een andere bestuurder in de auto mee te rijden, maar dat haar behandelaar het niet langer opportuun acht haar hiervoor te behandelen, omdat appellante met deze angst kan omgaan door zelf de auto te besturen. Deze stukken leiden dan ook niet tot twijfel aan de juistheid van de medisch adviezen van SCIO. Dit betekent dat appellante niet wordt gevolgd in haar standpunt dat bij haar een medische noodzaak aanwezig is voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7306 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2016, 16/1144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 23 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Namens appellante is verschenen mr. Raaijmakers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Schenk.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Appellante heeft nadere stukken ingediend en partijen hebben op elkaars standpunten gereageerd.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1953, is bekend met een aandoening van het bewegingsapparaat en met psychische klachten. In verband met de beperkingen die zij hierdoor ondervindt heeft appellante op 6 oktober 2014 bij het college een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Op verzoek van het college heeft SCIO Consult (SCIO) op 22 april 2015 in het kader van deze aanvraag een medisch advies uitgebracht. SCIO heeft dit advies aangevuld op 26 augustus 2015 en 9 december 2015.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2015, gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college kan zich vinden in de adviezen van SCIO en heeft geen redenen om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Appellante heeft niet met geobjectiveerde medische stukken aangetoond dat zij voor haar angst om met een andere bestuurder mee te rijden in een auto is uitbehandeld. Appellante kan in haar lokale vervoersbehoefte voorzien met het aanvullend collectief vervoer in de vorm van de Meertaxi. Wat betreft haar bovenregionale vervoersbehoefte is appellante aangewezen op Valys.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, samengevat, overwogen dat het college, gelet op de medisch adviezen van SCIO, terecht heeft geconcludeerd dat appellante met aanvullend collectief vervoer in de vorm van de Meertaxi voldoende is gecompenseerd. Appellante heeft haar stelling dat vervoer per Meertaxi voor haar niet geschikt is, omdat zij niet bij een andere bestuurder in de auto durft te stappen, onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. Evenmin is onderbouwd dat een medische noodzaak bestaat om de gevraagde voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van haar eigen auto toe te kennen. Behandeling gericht op de angst van appellante om bij een andere bestuurder in de auto te stappen dient als voorliggend te worden beschouwd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ongemotiveerd is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. Bij appellante is immers aantoonbaar een medische noodzaak aanwezig voor de gevraagde voorziening. Onder verwijzing naar de door haar overgelegde verklaring van drs. M.R. Nauta, klinisch psycholoog/psychotherapeut, van 14 september 2017, de verklaring van C.T. de Ruijter, huisarts, van 6 november 2017 en de brief van B. Kool, werkzaam bij Linde Zorg, heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij is uitbehandeld voor haar psychische klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Uit deze stukken volgt immers, anders dan appellante heeft gesteld, niet dat zij is uitbehandeld voor haar angst om bij een andere bestuurder in de auto mee te rijden, maar dat haar behandelaar het niet langer opportuun acht haar hiervoor te behandelen, omdat appellante met deze angst kan omgaan door zelf de auto te besturen. Deze stukken leiden dan ook niet tot twijfel aan de juistheid van de medisch adviezen van SCIO. Dit betekent dat appellante niet wordt gevolgd in haar standpunt dat bij haar een medische noodzaak aanwezig is voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto.

4.2.

Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) W.M. Swinkels

LO