Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
16/6671 WIA-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige ten onrechte niet volledig in de FML van 11 mei 2015 vastgelegd. De belastbaarheid in de FML ten aanzien van werktijden moet daarom worden aangepast. Op basis van het rapport van de deskundige wordt geoordeeld dat een urenbeperking van ten minste vier uren per dag is aangewezen, waarbij rekening moet worden gehouden met diverse rustmomenten om te voldoen aan de recuperatiebehoefte. Uitgaande van de beschikbare informatie over de medische situatie van appellante en de in het geding gebrachte literatuur over Q‑koorts kan niet worden verondersteld dat er voor appellante behandelmogelijkheden zijn die tot verbetering van de belastbaarheid van appellante kunnen leiden binnen afzienbare tijd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 22 mei 2015 te herroepen, te bepalen dat appellante met ingang van 1 juli 2015 recht heeft op een IVA‑uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6671 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2016, 15/6136 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 januari 2019

Zitting heeft: A.I. van der Kris

Griffier: J.R. Trox

Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. A.M.W.A. van der Hoeven, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 september 2015;

  • -

    herroept het besluit van 22 mei 2015;

  • -

    stelt vast dat appellante met ingang van 1 juli 2015 recht heeft op een IVA-uitkering;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.070,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als commercieel medewerker allround voor 35,86 uur per week. Appellante is op 3 juli 2013 uit deze werkzaamheden uitgevallen wegens vermoeidheids- en pijnklachten als gevolg van een doorgemaakte Q-koortsinfectie.

1.2.

Op 12 april 2015 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Zij is op 30 april 2015 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2015, geldig vanaf 30 april 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 31,31%. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juli 2015 geen recht is ontstaan op een WIA‑uitkering, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 2 juli 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 28 augustus 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep een rapport van 30 mei 2017 van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans overgelegd. Offermans heeft op basis van eigen onderzoek en bestudering van de beschikbare medische stukken geconcludeerd dat appellante maximaal vier uur per dag kan werken en dat tevens rekening moet worden gehouden met het veelvuldig (vijf tot twintig keer per dag) onderbreken van de activiteiten met pauzes voor recuperatie.

3.2.

De Raad heeft aanleiding gezien de deskundige bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige dr. B. Sorgdrager om advies te vragen. Onder verantwoordelijkheid van de deskundige is een multidisciplinair onderzoek uitgevoerd, waarbij naast de deskundige zelf betrokken zijn geweest fysiotherapeut en bewegingswetenschapper prof. dr. M.F. Reneman en psycholoog en cognitief gedragstherapeut drs. M.G.A. Hoppenbrouwers. De deskundige heeft in zijn rapport van 18 juni 2018 vastgesteld dat bij appellante sprake is van een chronisch vermoeidheidssyndroom als gevolg van een doorgemaakt Q‑koortsinfectie. Het vastgestelde energieverlies is hier een rechtstreeks gevolg van. De deskundige is van mening dat voor appellante regelmaat van belang is en dat dosering van activiteiten noodzakelijk is door veel rustmomenten in te bouwen. In afwijking van de FML van 11 mei 2015 heeft de deskundige vastgesteld dat nachtwerk hiermee in strijd is en dat acht uur per dag werken niet realistisch vol te houden is. De deskundige is het met verzekeringsarts Offermans eens dat maximaal vier uur per dag werken mogelijk kan zijn, waarbij rekening moet worden gehouden met diverse rustmomenten om te voldoen aan de versterkte recuperatiebehoefte.

3.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn reactie van 26 juli 2018 op het rapport van de deskundige te kennen gegeven de conclusie van de deskundige, dat er noodzaak bestaat voor een beperking in de duurbelastbaarheid, niet te kunnen volgen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt anders dan de deskundige heeft geconcludeerd uit de informatie van het Spine & Joint Centre van 16 mei 2014 en de informatie van het Radboud UMC van 6 september 2014 niet van een noodzaak tot het inlassen van regelmatige recuperatieperiodes. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestaat er geen reden voor een beperking in de duurbelastbaarheid als er met de eerder gestelde beperkingen rekening gehouden kan worden.

3.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Anders dan het Uwv ter zitting heeft betoogd wordt in het feit dat appellante niet het geplande belastbaarheidsonderzoek heeft kunnen ondergaan geen reden gezien te twijfelen aan de uitkomst van het onderzoek van de deskundige. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat het gelet op de bij appellante gemeten bloeddruk bij drie metingen medisch niet verantwoord werd geacht de geplande belastbaarheidstests uit te voeren. Appellante heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op de gang van zaken. Er is geen enkele reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dat het belastbaarheidsonderzoek geen doorgang heeft kunnen vinden maakt niet dat de bevindingen die de deskundige verder heeft beschreven en de conclusies die hij op basis van deze bevindingen heeft getrokken validiteit missen. Daarbij wordt van belang geacht dat de bevindingen van de deskundige bevestiging vinden in de beschikbare informatie van de medische behandelaars en ook in overeenstemming zijn met de bevindingen van verzekeringsarts Offermans. Ook de informatie van dr. A. Olde Loohuis, medisch adviseur van Q‑Support, zoals neergelegd in het door appellante in beroep overgelegde rapport van 4 juli 2016 en het in hoger beroep aangevulde rapport van 25 november 2016, is hiermee in lijn. De conclusies van de deskundige zijn derhalve navolgbaar. De noodzaak van het aannemen van een medische urenbeperking is aan de hand van relevante medische informatie op toereikende wijze door de deskundige onderbouwd. In de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juli 2018 wordt geen aanleiding gezien om af te wijken van de conclusies van de deskundige.

3.5.

Dit betekent dat het Uwv de conclusies van de door de Raad geraadpleegde deskundige ten onrechte niet volledig in de FML van 11 mei 2015 heeft vastgelegd. De belastbaarheid in de FML ten aanzien van werktijden moet daarom worden aangepast. Op basis van het rapport van de deskundige wordt geoordeeld dat een urenbeperking van ten minste vier uren per dag is aangewezen, waarbij rekening moet worden gehouden met diverse rustmomenten om te voldoen aan de recuperatiebehoefte.

3.6.

Het Uwv heeft in een reactie van 9 november 2018 desgevraagd te kennen gegeven dat uitgaande van een duurbelastbaarheid van maximaal vier uur per dag en de behoefte aan vijf tot twintig recuperatiespauzes per dag er geen functies zijn te duiden die appellante zou kunnen verrichten. Appellante moet dan volledig arbeidsongeschikt worden beschouwd. Het Uwv heeft daartoe verwezen naar een rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 25 oktober 2018.

3.7.

Hiervan uitgaande is aan de orde de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA‑uitkering in plaats van een WGA‑uitkering.

3.8.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij, uitgaande van de medische situatie op de datum in geding, een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

3.9.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of er op de datum in geding nog behandelmogelijkheden waren voor appellante waaraan de verwachting van verbetering van de belastbaarheid mocht worden ontleend. Het Uwv heeft desgevraagd betwist dat er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Gelet op de onder 3.8 weergegeven rechtspraak is het in dat geval aan het Uwv te onderbouwen welk mogelijk resultaat behandelmogelijkheden in de individuele situatie van appellante zouden kunnen opleveren. Een zodanige onderbouwing is door het Uwv niet gegeven en ontbreekt in de rapporten van de verzekeringsarts en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uitgaande van de beschikbare informatie over de medische situatie van appellante ten tijde van belang en de in het geding gebrachte literatuur over Q‑koorts kan niet worden verondersteld dat er voor appellante behandelmogelijkheden zijn die tot verbetering van de belastbaarheid van appellante kunnen leiden binnen afzienbare tijd.

3.10.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, zodat dit besluit, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen, moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Mede gelet op het verloop en de duur van onderhavige procedure wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 22 mei 2015 te herroepen, te bepalen dat appellante met ingang van 1 juli 2015 recht heeft op een IVA‑uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

4. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 1.024,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.024,-. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij daarnaast ook nog reiskosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 22,-. Er is aanleiding ook deze te vergoeden. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen dus in totaal € 2.070,-.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J.R. Trox (getekend) A.I. van der Kris