Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
17/5913 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/139
PS-Updates.nl 2019-0669
Onderwijs Totaal 2019/973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5913 AW

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
21 juli 2017, 16/4787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs [plaats] (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, voormalig advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de stichting heeft mr. M.F. Groen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot J.M. Hooijer. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Groen en M.D. van Klaveren.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster bij de [naam school] te [plaats], laatstelijk voor 12 uur per week. Bij besluit van 23 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 september 2012, heeft de stichting appellante per 24 mei 2012 ontslag verleend, primair wegens redenen van gewichtige aard en subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor haar functie. Bij uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:4246, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2012 ongegrond verklaard. Met zijn uitspraak van

26 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:915, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. Naar aanleiding van het verzoek van appellante van 13 oktober 2017 om de uitspraak van de Raad vervallen te verklaren, heeft de Raad appellante geïnformeerd dat hiertoe geen aanleiding bestaat.

2.1.

Bij brief van 25 februari 2016 heeft appellante verzocht om vergoeding van de materiële en immateriële schade ten bedrage van € 102.722,-, exclusief juridische kosten en reiskosten, die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen en het nemen van onrechtmatige besluiten.

2.2.

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft de stichting dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de stichting bij besluit van 24 oktober 2016 (bestreden besluit)

niet-ontvankelijk verklaard. De stichting heeft zich hierbij - kort weergegeven - op het volgende standpunt gesteld. Niet langer is in geschil dat het ontslagbesluit een rechtmatig besluit is en dat de door appellante gevorderde schade is gelegen in vermeende onrechtmatige besluiten en/of handelingen van de stichting. Deze vermeende schadeveroorzakende besluiten en/of handelingen zijn geen appellabele besluiten of daarmee gelijk te stellen andere handelingen in de zin van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom niet vatbaar voor bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. Daarmee is gegeven dat niet is voldaan aan het volgens vaste rechtspraak te stellen vereiste van materiële connexiteit.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe - onder meer - het volgende overwogen. De stichting heeft een zelfstandig schadebesluit genomen. Ingevolge artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor 1 juli 2013 van toepassing. Nu appellante haar verzoek om schadevergoeding heeft gebaseerd op gestelde feiten van voor die datum, blijft op grond van het overgangsrecht het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2013. De bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde indien de rechter dat ook is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Als schadeveroorzakende feiten zijn door appellante genoemd:

- het laten escaleren van de laatste werkdag;

- het opleggen van gedragsregels;

- het eenzijdig censureren van gespreksverslagen;

- het niet handelen conform het pestprotocol en het klachtprotocol;

- het niet opnemen van bezwaar- en beroepsmogelijkheden in een besluit;

- het in een brief impliciet dreigen met ontslag;

- het niet schriftelijk willen bevestigen dat een veilige werkplek zou zijn gegarandeerd en dat

drie collega’s zouden worden aangesproken op hun gedrag;

- geen passende actie ondernemen nadat zich in januari 2012 een incident had voorgedaan

tussen appellante en een collega;

- het uitlokken van valse verklaringen van het management.

De rechtbank heeft vervolgens onder verwijzing naar de artikelen 1:3, eerste lid, en 8:2,

eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geoordeeld dat de door appellante genoemde schadeveroorzakende feiten geen besluiten zijn, maar feitelijke handelingen. Nu geen sprake is van handelingen waardoor appellant rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen, kunnen deze handelingen niet worden gelijkgesteld met een besluit. Nu geen sprake is van een appellabel besluit of daarmee gelijk te stellen handeling, heeft de stichting het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat de door haar genoemde - in de aangevallen uitspraak correct opgesomde - aan de stichting toegeschreven schadeveroorzakende feiten bijna allemaal op rechtgevolg gerichte besluiten dan wel feitelijke handelingen zijn die haar rechtstreeks in haar rechtspositionele belang treffen en daarom moeten worden gelijkgesteld met besluiten.

4.2.

De stichting heeft primair verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht en appellante te veroordelen in de proceskosten van de stichting. Subsidiair heeft de stichting verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellante misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om in hoger beroep te gaan tegen de aangevallen uitspraak. In dit geval zijn er geen zwaarwichtige gronden om het hoger beroep niet inhoudelijk te behandelen, maar

niet-ontvankelijk te verklaren. Appellante heeft niet eerder een procedure over een verzoek om schadevergoeding gevoerd. Ook voor het overige kan niet worden gezegd dat zij haar bevoegdheid om hoger beroep in te stellen zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij is gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135).

5.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de stichting het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van de materiële connexiteit. Hij maakt de aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad het volgende toe.

5.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door appellante opgesomde feiten moeten worden aangemerkt als feitelijke handelingen en geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze feitelijke handelingen kunnen evenmin met toepassing van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb met een besluit gelijk worden gesteld, nu deze appellante niet rechtstreeks in haar rechtspositionele belang als ambtenaar raken. Daarvan is immers pas sprake als de feitelijke handelingen een verandering teweegbrengen in de rechtspositie van appellante, dat wil zeggen in de rechten en/of plichten die zij als ambtenaar heeft. Dat is niet het geval (geweest). Dat de feitelijke handelingen invloed hebben gehad op - het welzijn van - appellante en op de onderlinge verhouding tussen haar en haar collega’s en leidinggevende(n), maakt dit niet anders.

5.4.

Uit 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een procesveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) Y. Itkal

md