Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
18-3525 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afbouw consignatietoelage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3525 AW

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 mei 2018, 17/4524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J. Sajtos, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Sajtos. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. Jaspers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij de politie, eenheid Oost-Nederland, in de functie van [functienaam]. Sinds 2007 heeft de korpschef hem consignatiediensten opgelegd.

1.2.

Bij besluit van 25 oktober 2016 heeft de korpschef appellant meegedeeld dat de consignatiediensten worden beëindigd en dat de consignatietoelage bij wijze van overgang nog tot 1 januari 2017 op basis van een fictieve consignatieplanning wordt doorbetaald.

1.3.

Bij besluit van 10 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen het besluit van 25 oktober 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de beëindiging van de consignatiediensten een flinke inkomensachteruitgang tot gevolg heeft en dat de korpschef daarom een ruime(re) afbouwregeling had moeten treffen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De wet- en regelgeving voorzien niet in een afbouwregeling in geval van beëindiging van consignatiediensten en de daarbij behorende consignatietoelage. Niettemin kan de zorgvuldigheid vereisen dat een afbouwregeling wordt getroffen. In het geval van appellant had de korpschef echter niet hoeven komen tot een ruimere regeling voor de afbouw van de consignatietoelage. Daartoe is het volgende van belang.

4.2.

De consignatietoelage is een toelage voor het beschikbaar zijn voor extra werkzaamheden wanneer dat nodig is en vormde als zodanig geen vast onderdeel van het inkomen van appellant. De hoogte van de toelage was afhankelijk van het aantal gedraaide consignatiediensten en varieerde per maand. In 2016 bedroeg de toelage € 2,03 per uur.

4.3.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2012-2014 hebben het (toenmalige) ministerie van Veiligheid en Justitie, de politie en de vakbonden afgesproken om consignatiediensten terug te dringen. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie

2015-2017 is vastgesteld dat de afgesproken vermindering niet is bereikt maar nog steeds nodig is. In de zomer van 2016 is aan appellant en zijn collega’s meegedeeld dat de consignatiediensten zullen worden beëindigd. Appellant was er dus van op de hoogte dat het einde van de toelage in zicht was. Naast het feit dat de maandelijkse toelage een variabel bedrag was en in het laatste jaar al was afgenomen, waardoor appellant relatief weinig en steeds minder (financiële) zekerheid aan de toelage kon ontlenen, kon hij dus ook al enige tijd rekening houden met een inkomensachteruitgang als gevolg van het verlies van de consignatietoelage. Tegen deze achtergrond is het niet onzorgvuldig en evenmin in strijd met de rechtszekerheid dat de korpschef de consignatietoelage niet langer dan tot 1 januari 2017 aan appellant heeft doorbetaald.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) Y. Itkal

md