Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
18-1562 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordelingsbesluit. Te korte beoordelingsperiode. De Raad merkt ten overvloede op dat voor een eventueel oordeel over het functioneren van appellante in de betrokken periode geen beroep gedaan kan worden op de desbetreffende passages in de vernietigde beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1562 AW

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
28 februari 2018, 17/2070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Losser (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G.H. Boelens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Boelens, S.J.G.B. Hagen, E. Liefaard en B. Slaa.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 1984 werkzaam geweest bij de gemeente Losser, laatstelijk in de functie van [functienaam] bij de [naam afdeling]) voor [aantal uren] per week.

1.2.

Op 3 november 2014 heeft appellante een gesprek gevoerd over haar functioneren met het afdelingshoofd WIZ en met de eerste medewerker/teamleider Zorg. Het afdelingshoofd heeft in de brief van 5 december 2014 de in het gesprek uitgesproken verwachtingen en ontwikkelpunten ten aanzien van het functioneren van appellante aan haar bevestigd.

1.3.

Appellante heeft zich op 9 februari 2015 ziek gemeld. Op 27 juli 2015 heeft appellante haar werk hervat voor haar arbeidsduur van [aantal uren] per week. Bij e-mail van
30 september 2015 is appellante verzocht een ‘plan van aanpak’ (verbeterplan) te maken over het takenpakket en wat zij daarbij nodig heeft om haar functie naar behoren te kunnen uitvoeren. Het in dit kader door appellante gedane verzoek om een smaller takenpakket is bij e-mail van 8 oktober 2015 door het afdelingshoofd afgewezen.

1.4.

Op 17 december 2015 is een beoordeling opgemaakt ten aanzien van het functioneren van appellante. Daarbij is het afdelingshoofd opgetreden als eerste beoordelaar en de teamleider als informant. De onderdelen kennis/ervaring, zelfstandigheid, kwaliteit afgeleverd werk, schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid (voor zover voor de functie van belang), contactuele vaardigheid en werkhouding zijn gewaardeerd met een score 5 (onvoldoende). Het onderdeel belastbaarheid is gewaardeerd met een score 6 (voldoende) en de onderdelen hoeveelheid afgeleverd werk en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid met een score 7 (meer dan naar behoren). Als totale beoordeling over het gehele functioneren is de score 5 (onvoldoende) gegeven. De beoordeling is, nadat appellante hierover haar zienswijze had gegeven, bij besluit van 8 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 augustus 2016 (bestreden besluit), vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1757) kan de rechter de inhoud van een vastgestelde beoordeling slechts terughoudend toetsen en is daarom voor een beoordeelde van belang dat de voorschriften over de totstandkoming van een beoordeling zo goed mogelijk worden nageleefd.

3.1.2.

Op grond van artikel 15:1:15:1, eerste lid, van de Regeling personeelsbeoordeling (Regeling) geschiedt de beoordeling door de eerste beoordelaar (direct leidinggevende) en de tweede beoordelaar (de naast hogere leidinggevende).

3.1.3.

Volgens het tweede lid van artikel 15:1:15:1 van de Regeling kan in overleg met de beoordeelde, de direct leidinggevende en de naast hogere leidinggevende op initiatief van de naast hogere leidinggevende een informant worden aangewezen, die in de plaats treedt van de tweede beoordelaar, indien deze onvoldoende zicht heeft op het functioneren van de beoordeelde.

3.1.4.

Op grond van artikel 15:1:15:4, eerste lid, van de Regeling wordt de beoordeling voor
1 november van elk jaar aan het college uitgebracht aan de hand van een beoordelingsformulier.

3.2.

Appellante heeft betoogd dat de beoordeling geen stand kan houden, omdat de hierboven genoemde bepalingen van de Regeling niet zijn gevolgd. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat de naast hogere leidinggevende als bedoeld in

artikel 15:1:15:1, eerste lid, van de Regeling in dit geval de gemeentesecretaris is en dat hij niet is opgetreden als tweede beoordelaar. Verder staat vast dat de aanwijzing van de teamleider als informant in strijd met het tweede lid niet op initiatief van de gemeensecretaris en evenmin in overleg met appellante heeft plaatsgevonden. Het college heeft dan ook in strijd met artikel 15:1:15:1 van de Regeling gehandeld. Overleg met appellante over de aanwijzing van de teamleider als informant in plaats van de gemeentesecretaris als tweede beoordelaar was temeer aangewezen nu appellante zich vanaf december 2014 in een verbetertraject bevond, terwijl al vanaf september 2014 sprake was van een in ieder geval door appellante ervaren moeizame communicatie met de teamleider. Het belang van het overleg was dan ook zodanig klemmend dat het niet achterwege gelaten had mogen worden (vergelijk de uitspraak van de Raad van 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1985).

3.3.

Appellante heeft verder betoogd dat de beoordelingsperiode te kort is geweest. Ook dit betoog slaagt. Al in december 2014 is appellante schriftelijk verzocht een plan van aanpak (zie 1.3) op te stellen. In september 2015 is dit verzoek herhaald. In een overleg in oktober 2015 is dit verzoek aan appellante opnieuw herhaald. Op 15 oktober 2015 is het door appellante kort daarvoor ingediende plan van aanpak door het afdelingshoofd met appellante besproken. In een e-mail van 16 oktober 2015, waarin dit gesprek is bevestigd, heeft het afdelingshoofd appellante laten weten: “Ik plan een nieuw overleg voor over twee weken waarin we je plan bespreken. Na dit volgende gesprek wil ik graag een beoordelingenreeks plannen om je functioneren te beoordelen. Op die manier kunnen we je groei op basis van je plan goed monitoren”. Op 5 november 2015 heeft een volgend gesprek plaatsgehad. De bevestigingsmail van 11 november 2015 eindigt met de afspraak: “Ik plan eind november een beoordelingsgesprek in om vast te stellen hoe ik jouw functioneren beoordeel. Ik zal jouw functioneren vervolgens driemaandelijks beoordelen”. Vervolgens heeft op 17 december 2015 het beoordelingsgesprek plaatsgevonden. De Raad is van oordeel dat appellante tot het gesprek van 5 november 2015 en/of de e-mail van 11 november 2015 redelijkerwijs geen aanleiding had hoeven hebben om aan te nemen dat de beoordelingsperiode (al) was aangevangen. Zelfs indien zou kunnen worden gezegd dat de beoordelingsperiode medio oktober 2015 is aangevangen, dan moet worden geoordeeld dat die periode voor een zorgvuldige beoordeling in dit geval te kort is. Bij dit oordeel komt verder betekenis toe aan het feit dat appellante na haar ziekmelding van 9 februari 2015 in een re-integratietraject zat. Dit traject viel samen met het verbetertraject. De Raad volgt appellante in haar standpunt dat dit verwarrend was. Zo is bijvoorbeeld op 7 september 2015 nog gesproken over “je
re-integratie” (e-mail van het afdelingshoofd van 17 september 2015) en is op
5 november 2015 afgesproken dat appellante een afspraak zou gaan maken met de bedrijfsarts. De conclusie is dan ook dat de beoordelingsperiode te kort is geweest om te kunnen komen tot een zorgvuldige beoordeling.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat het beoordelingsbesluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het beoordelingsbesluit herroepen.

3.5.

Wat appellante inhoudelijk heeft aangevoerd tegen de beoordeling behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer. De Raad merkt ten overvloede op dat voor een eventueel oordeel over het functioneren van appellante in de betrokken periode geen beroep gedaan kan worden op de desbetreffende passages in de vernietigde beoordeling.

4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten die appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 augustus 2016;
- herroept het besluit van 8 april 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het
besluit van 10 augustus 2016;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.072,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 420,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H. Lagas en
H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

md