Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-4357 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand na opschorting. Niet ingegaan op uitnodiging voor gesprek met medebrenging van gevraagde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4357 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2017, 16/4457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 5 februari 2019

Zitting heeft: J.J.A. Kooijman

Griffier: V.Y. van Almelo

Namens appellant is mr. N. Roos, advocaat, ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Tussen partijen is in geschil de opschorting van het recht op bijstand van appellant met ingang van 22 maart 2016 op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet (PW), de intrekking van bijstand met ingang van dezelfde datum op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW en de terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 22 maart 2016 tot en met 31 maart 2016 op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW tot een bedrag van

€ 298,08.

De opschorting.

Bij brief van 18 maart 2016 is appellant in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de hem verleende bijstand uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2016 en gevraagd om dan bepaalde gegevens, zoals bankafschriften te overleggen. Niet in geschil is dat appellant niet op gesprek is verschenen en de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij (telefonisch) heeft gemeld dat hij vanwege zijn claustrofobie niet op het gesprek kan verschijnen en het college al lang op de hoogte is van zijn klachten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij vanwege zijn aandoening niet in staat was op het gesprek te verschijnen en de gevraagde gegevens te overleggen. Het college was dan ook bevoegd het recht op bijstand vanaf 22 maart 2016 op te schorten. In wat appellant heeft aangevoerd, is geen grond gelegen dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De intrekking.

Bij het opschortingsbesluit heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op

24 maart 2016 en hem verzocht de eerder gevraagde gegevens dan te overleggen. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant op 24 maart 2016 bij de receptie is verschenen, daar stukken heeft afgegeven en vervolgens buiten het gebouw bleef wachten. De medewerker van de gemeente die het gesprek met appellant zou voeren, heeft appellant vervolgens gevraagd het pand te betreden en hem aangeboden het gesprek in een open ruimte binnen het gebouw te laten plaatsvinden. Appellant heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt en is vertrokken met de stukken die hij eerder had afgegeven. Dat betekent dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek op 24 maart 2016 en de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Appellant heeft zijn stelling dat hij vanwege zijn claustrofobie niet in staat was het gesprek in een open ruimte te voeren, niet met medische stukken onderbouwd.

Appellant heeft ook geen gebruik gemaakt van de hem bij brieven van 30 maart 2016 en

4 april 2016 geboden mogelijkheden om het verzuim te herstellen door op 1 april 2016 respectievelijk 7 april 2016 op gesprek te komen en de eerder gevraagde gegevens te overleggen.

Het college was dan ook bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 22 maart 2016 in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd, is geen grond gelegen dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) J.J.A. Kooijman

md