Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17/6000 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde inwoning van meerderjarige zoon zonder inkomen leidt tot herziening en terugvordering van de bijstand in verband met alsnog toepassen van de kostendelersnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6000 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 juli 2017, 16/2093 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: V.Y. van Almelo

Namens appellante is verschenen mr. R.M.M. Menting, advocaat. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 18 augustus 2015 bijstand op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een te plannen afspraak voor schuldhulpverlening bij de gemeente, heeft appellante in december 2015 telefonisch laten weten dat haar zoon, [X.] (X), geboren [in] 1992, sinds 15 oktober 2015 weer bij haar inwoont.

1.3.

Bij besluit van 18 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 15 oktober 2015 herzien en de over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 30 november 2015 verleende bijstand van € 404,57 teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante niet tijdig heeft gemeld dat X weer bij haar inwoont. Gelet hierop is per 15 oktober 2015 de kostendelersnorm van toepassing waarbij wordt uitgegaan van twee kostendelende medebewoners.

1.4.

Op 16 februari 2016 heeft X de woning van appellante verlaten. Vanaf dat moment ontvangt appellante weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zonder toepassing van de kostendelersnorm.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden door niet eerder dan in december 2015 melding te maken van de inwoning van X. De enkele inschrijving van X op het adres van appellante in de Basisregistratie Personen (BRP) is onvoldoende. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college X terecht als kostendelende medebewoner heeft aangemerkt, omdat hij niet onder een van de wettelijke uitzonderingen valt. Het college heeft dan ook terecht de kostendelersnorm toegepast.

3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen gelijk aan de gronden in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Van belang is dat bij toepassing van de kostendelersnorm de aard van het inkomen van elk van de medebewoners geen rol speelt. Ook doet het er niet toe of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen ook echt bijdraagt in die kosten (zie uitspraak van

1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3870). Iedereen in Nederland wordt geacht een inkomen te kunnen verwerven. Dit geldt ook voor X. X had bijvoorbeeld bijstand kunnen aanvragen. Tot een aanvraag is het echter kennelijk niet gekomen. De stelling dat X geen enkel inkomen kon verwerven, is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1059), is het de verantwoordelijkheid van appellante

- als bijstandsgerechtigde - om een wijziging in haar woon- en leefsituatie op de juiste wijze en aan de juiste afdeling van de gemeente door te geven. Om die reden mocht appellante er niet van uitgaan dat de enkele inschrijving van X in de BRP op het adres van appellante voldoende zou zijn. De Raad kan zich dan ook vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) A.M. Overbeeke

IJ