Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17/2499 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand eigen bijdrage rechtsbijstand. Over 2014 niet tijdig ingediend. Het recht over 2015 vanwege onduidelijke woonsituatie niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2499 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 februari 2017, 16/1665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving, met onderbreking, van 13 november 2009 tot en met 30 november 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woont samen met haar drie kinderen op het [opgegeven adres] te [X.] (opgegeven adres).

1.2.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college de bijstand met ingang van 13 november 2009 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [K.] (K), zonder daarvan melding te maken bij het college. Met de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3484, staat de intrekking in rechte vast.

1.3.

Op 29 juni 2015 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand en griffierecht over de jaren 2014 en 2015. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat alleen zijzelf en haar drie kinderen op het opgegeven adres wonen. Omdat uit de basisregistratie personen (BRP) bleek dat de zoon van K, [MB] (MB), van 5 augustus 2013 tot

26 januari 2015 en vanaf 3 maart 2015 ook op het opgegeven adres stond ingeschreven, heeft een medewerker van het college bij appellante nadere gegevens opgevraagd over haar woonsituatie, waaronder eventuele onderverhuurcontracten/kostgangersovereenkomsten en bewijzen van betaling. Bij e-mailbericht van 16 juli 2015 heeft appellante te kennen gegeven dat MB tijdelijk bij haar ingeschreven staat totdat hij over twee weken een eigen kamer krijgt en dat K niet bij haar maar op het [adres 2] te [woonplaats] woont en vanaf dat adres zorg ontvangt van [naam stichting] (Stichting).

1.4.

Wegens twijfels over de woonsituatie van appellante hebben een sociaal rechercheur en een medewerker van de gemeente Venlo een onderzoek ingesteld naar het recht van appellante op bijzondere bijstand. In dat kader hebben zij onder meer waarnemingen in de nabijheid van de woning van appellante uitgevoerd, op 22 september 2015 een huisbezoek aan haar woning gebracht en haar aansluitend gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in de rapportages ‘Huisbezoek 22-09-2015’ en ‘Verklaring belanghebbende’ van 22 september 2015.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 april 2016 (bestreden besluit), de aanvraag af te wijzen. De aanvraag over het jaar 2014 is bij het bestreden besluit afgewezen omdat deze pas na 1 april 2015 is ingediend terwijl de kosten zijn opgekomen in 2014. Het college is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De aanvraag over het jaar 2015 is afgewezen op de grond dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijzondere bijstand niet is vast te stellen. Zij heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over haar woonsituatie. Onduidelijk is hoeveel personen feitelijk op haar adres wonen, of er sprake is van een gezamenlijke huishouding dan wel dat sprake is van kostendelers.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aanvraag over 2014

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2497) vloeit uit artikel 43, eerste lid en artikel 44 van de PW voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Kosten van rechtsbijstand komen op op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand heeft ontvangen.

4.2.

Het college hanteerde tot 1 januari 2016 het buitenwettelijk begunstigend beleid dat aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot 1 april van het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

4.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college de aanvraag over 2014 terecht heeft afgewezen omdat appellante die aanvraag pas na 1 april 2015 heeft ingediend en geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd waarom het onder 4.3 vermelde oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak onjuist danwel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals hiervoor weergegeven, waarop dat oordeel berust.

De aanvraag over 2015

4.5.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de nodige duidelijkheid heeft verschaft over haar feitelijke woonsituatie. Zij heeft door middel van de brief van de Stichting van 19 maart 2015 (brief) aannemelijk gemaakt dat K ten tijde van belang niet bij haar, maar op het [adres 2] zijn hoofdverblijf had. Het college had op basis van die brief nader onderzoek moeten doen naar de woonsituatie van K.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het onder 4.5 vermelde toetsingskader dient appellante allereerst zelf duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven over haar woonsituatie en het aantal mensen dat op het opgegeven adres hoofdverblijf houdt.

Appellante heeft hier niet aan voldaan.

4.8.

In tegenstelling tot de gegevens die appellante bij het e-mailbericht van 16 juli 2015 heeft verstrekt was MB twee maanden later, ten tijde van het huisbezoek van 22 september 2015, nog steeds aanwezig in haar woning. In het aansluitend gehoor heeft appellante verklaard dat het nog steeds de bedoeling is dat MB binnenkort vertrekt. Na raadpleging van de BRP in de bezwaarfase heeft het college echter vastgesteld dat MB nog tot 1 december 2015 op het adres van appellante ingeschreven heeft gestaan.

4.9.

Ook ten aanzien van andere personen blijft onduidelijk of zij ten tijde van de aanvraag hun hoofdverblijf hadden op het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek op het adres van appellante troffen de sociaal rechercheur en de medewerker van het college behalve MB een man aan die geen identiteitspapieren wilde tonen. Appellante heeft verklaard dat de man ‘[Z.]’ is, haar nieuwe vriend. In de slaapkamer van appellante troffen de sociaal rechercheurs echter een medicijndoosje aan met daarop de naam van K. Direct na afloop van het huisbezoek troffen zij verder de auto van K aan op een parkeerplaats in de nabijheid van de woning van appellante. Appellante heeft verklaard dat zij de twijfels over de identiteit van ‘[Z.]’ zal wegnemen door zijn identiteitsbewijs te overleggen, maar heeft dit nagelaten. Hierdoor is de onduidelijkheid over het eventuele hoofdverblijf van K op het adres van appellante blijven bestaan. Met het enkele feit dat K op het [adres 2] een brief van de Stichting ontving heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat K aldaar zijn hoofdverblijf had.

4.10.

Daarbij komt dat de sociaal rechercheurs voorafgaand aan het huisbezoek de

ex-schoondochter van K, [TA] (TA), met haar kind de woning van appellante zagen verlaten. Appellante heeft tijdens het gehoor verklaard dat TA bijna iedere dag bij haar in de woning is om schoon te maken; dat TA, net als K, op het [adres 2] te [woonplaats] woont en afgelopen nacht in haar woning heeft verbleven. Dit is geen afdoende verklaring voor het feit dat de sociaal rechercheurs naast de volledig ingerichte slaapkamers van appellante en haar kinderen een volledige ingerichte zolder hebben aangetroffen met onder meer een aan twee kanten beslapen tweepersoonsbed, een kinderbedje, een wasmachine/droger, een in werking zijnde heater, een ventilator, een koelbox, een speelkleed op de vloer, speelgoed, (dames) verzorgingsproducten en een grote hoeveelheid kleding, waaronder dameskleding. Gezien de in deze kamer aangetroffen spullen is ook onduidelijk of TA en haar kind ten tijde van de aanvraag hun hoofdverblijf hadden op het opgegeven adres.

4.11.

Appellante heeft de onder 4.7 tot en met 4.10 vermelde onduidelijkheden over de woonsituatie op het opgegeven adres nadien niet weggenomen door objectieve en verifieerbare gegevens te verstrekken en die onduidelijkheden laten bestaan.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat appellante is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting voldoende duidelijkheid te verschaffen over haar woonsituatie. Dit heeft tot gevolg dat het recht op bijzondere bijstand voor kosten over het jaar 2015 niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

4.13.

Uit 4.4 en 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Smolders

IJ