Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17/5905 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering één maand bijstand. Voldoende feitelijke grondslag voor het verrichten van werkzaamheden als "snorder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5905 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2017, 17/1639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Zitting heeft: W.F. Claessens, als lid van de enkelvoudige kamer.

Griffier: Y. Itkal

Namens appellant is verschenen mr. R.A. Dayala, advocaat. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de maand november 2016. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht als ‘snorder’ - dit is een ongeregistreerde taxichauffeur - en daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college. Volgens het college heeft appellant om die reden de inlichtingenverplichting geschonden en kan als gevolg daarvan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. In bezwaar en beroep is dit besluit in stand gebleven.

Wat appellant heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat er geen toereikende feitelijke grondslag is voor de intrekking en terugvordering van bijstand over de maand

november 2016, omdat hij in die maand geen inkomsten uit snordersactiviteiten heeft gehad.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellant op 22 november 2016 snordersactiviteiten heeft verricht. Hij heeft toen twee politieagenten in burger meegenomen in zijn auto en hen afgezet op de door hen genoemde plaats van bestemming. Op het moment dat appellant duidelijk maakte dat zij voor de rit moesten betalen, is appellant aangehouden. Verder heeft appellant tegenover de politie en de sociale recherche verklaard dat hij als snorder rijdt als hij extra geld nodig heeft en dat hij dit al doet sinds hij zijn auto heeft. Dit alles levert voldoende feitelijke grondslag op voor het standpunt van het college dat appellant in november 2016 activiteiten als snorder heeft verricht. Dat hij op 22 november 2016 feitelijk geen beloning heeft ontvangen, is niet van belang. Snordersactiviteiten zijn immers op geld waardeerbare activiteiten. Het verrichten van dergelijke activiteiten is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten.

Door van zijn snordersactiviteiten geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant moet dan aannemelijk maken dat als hij die verplichting was nagekomen, hij wel recht op bijstand over november 2016 zou hebben gehad. Daarin is appellant niet geslaagd. Hij heeft namelijk geen gegevens overgelegd over de ritten die hij als snorder heeft gereden en de inkomsten die hij daaruit heeft ontvangen. Appellant heeft dit niet bijgehouden. Dit betekent dat het recht op bijstand over november 2016 niet kan worden vastgesteld.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering over november 2016 in stand blijven.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) Y. Itkal (getekend) W.F. Claessens

md