Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
16/461 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek tot kwijtschelding. Beleid dringende redenen. In het licht van alle in het beleid genoemde uitgangspunten, is onvoldoende gemotiveerd waarom het college in dit geval geen aanleiding heeft gezien om op grond van dringende redenen het resterende gedeelte van de terugvordering kwijt te schelden. Omdat het college na de tussenuitspraak niet alsnog een draagkrachtige motivering van het bestreden besluit heeft gegeven, kan ervan worden uitgegaan dat herstel niet meer mogelijk is. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil zal de Raad daarom zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 augustus 2014 te herroepen en de resterende vordering van het college op appellanten kwijt te schelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 461 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

14 december 2015, 15/1523 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak: 29 januari 2019

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 januari 2018 een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 3 april 2018 een nadere motivering van het besluit van 10 juni 2015 (bestreden besluit) gegeven.

Bij brief van 2 mei 2018 hebben appellanten hun zienswijze over de nadere motivering naar voren gebracht en voorts om aanhouding verzocht voor nader overleg tussen partijen.

Nadat de zaak vervolgens aanvankelijk met twee maanden en vervolgens op verzoek van appellanten nog eens met drie maanden was aangehouden, hebben appellanten de Raad op

1 oktober 2018 verzocht om uitspraak te doen. Het college heeft bij brief van 5 oktober 2018 gereageerd op het verzoek van appellanten en meegedeeld de uitspraak af te wachten.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad, gelet op de reacties van partijen, afgezien van een nader onderzoek ter zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Het geschil tussen partijen betreft de weigering van het college bij besluit van

21 augustus 2014 om kwijtschelding te verlenen van de op 10 juli 2014 resterende schuld van appellanten door herziening en terugvordering van bijstand omdat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. De besluiten tot herziening en terugvordering dateren van 14 februari 2003 en 30 juli 2004. Het college is het bedrag van de terugvordering gaan invorderen door maandelijkse inhoudingen op de aan appellanten verleende bijstand. Nadat op 17 februari 2014 de toenmalige bewindvoerder van appellanten aan het college had bericht dat appellanten een beslagvrije voet hebben die hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm, heeft het college de verrekening van de vordering door maandelijkse inhoudingen op de bijstand in april 2014 gestaakt.

1.3.

In de tussenuitspraak heeft de Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

1.3.1.

Nu de vorderingen met de terugvorderingsbesluiten vóór 1 januari 2013 zijn ontstaan, is artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) van toepassing zoals dit luidde tot die datum. Ingevolge dit artikel is het college bevoegd ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) terugvordering, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden, moet hierin besloten worden geacht (vergelijk de uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3084).

1.3.2.

Het college heeft nagelaten in overeenstemming met zijn beleid na te gaan of in het geval van appellanten dringende redenen voor kwijtschelding aanwezig waren. Het gaat daarbij volgens de Beleidswijzer om de vraag of de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de belanghebbende of zijn gezin, waarbij het volgens de Beleidswijzer zowel om financiële als om niet-financiële factoren gaat. Welke factoren wel en welke niet van belang zijn, hangt af van de individuele omstandigheden. Bij de beoordeling of dringende redenen aanwezig zijn, behoort volgens de Beleidswijzer ook de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder is niet gebleken dat het college in de besluitvorming acht heeft geslagen op het beleid dat, als duidelijk is dat een vordering oninbaar is, deze buiten invordering moet worden gesteld en dat cliënten die in een problematische schuldensituatie verkeren een kans moeten krijgen na een passende inspanning weer met een schone lei te beginnen. In principe wordt dan ook volgens het beleid altijd medewerking verleend aan een schuldhulpverleningstraject, tenzij dat volledig in strijd is met de uitgangspunten van het beleid, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn als op een ernstig verwijtbare vordering nog nauwelijks is afgelost. Dat laatste is in het geval van appellanten niet aan de orde. Appellanten hadden in mei 2014 34% van de oorspronkelijke schuld afgelost. Het college heeft bij het bestreden besluit ten onrechte niet getoetst of, gelet op het beleid en de omstandigheden van appellanten, dringende redenen of andere redenen, zoals hiervoor omschreven, voor kwijtschelding aanwezig waren. Het college had daarbij de omstandigheid dienen te betrekken dat appellanten door toedoen van het college jarenlang met hun gezin hebben moeten rondkomen van een inkomen beneden de beslagvrije voet, waardoor zij verder in de financiële problemen zijn geraakt. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd.

2. In zijn nadere motivering heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen zijn om het resterende deel van de schuld van appellanten kwijt te schelden, gelet op het uitgangspunt van het college dat fraude niet mag lonen. Het is het college bekend dat de kans dat appellanten de schuld volledig aflossen niet groot is en ook dat appellanten behalve hun schuld aan de gemeente nog andere schulden hebben. De aflossing van appellanten aan de gemeente is echter inmiddels gestaakt gelet op de voor hen geldende beslagvrije voet. Het voortbestaan van de schuld aan de gemeente is dan ook op zichzelf voor appellanten geen last meer. Daarom acht het college handhaving van de vordering niet onaanvaardbaar. In overeenstemming met het beleid zal na aflossing van 50% van de schuld een nieuwe beoordeling van het kwijtscheldingverzoek worden gedaan. Het college ziet in de omstandigheid dat door zijn toedoen de beslagvrije voet niet eerder is gerespecteerd, geen dringende reden voor kwijtschelding van de restantschuld. Het college bestrijdt dat appellanten door toedoen van het college jarenlang onder de beslagvrije voet hebben geleefd. Appellanten hadden immers eerder om herziening van de beslagvrije voet kunnen vragen.

3. Appellanten hebben in hun zienswijze, kort gezegd, aangevoerd dat het college geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de besluitvorming voor het gezin. Ook zijn niet alle in de tussenuitspraak benoemde punten in de beoordeling betrokken. Appellanten verkeren in een zeer onwenselijke situatie zonder enig perspectief en er is geen zicht op een verdere aflossing van de vordering. De schulden van appellanten zijn opgelopen omdat door de verrekening, waarbij de beslagvrije voet niet werd gerespecteerd, nota’s van derden onbetaald zijn gebleven, waardoor extra incasso- en invorderingskosten zijn ontstaan. Ook lijdt het gezin onder de steeds aanwezige dreiging van beslaglegging op de inboedel door overige schuldeisers. Het college kan in redelijkheid kwijtschelding niet weigeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uitgangspunt van het kwijtscheldingsbeleid is, naast het uitgangspunt dat misbruik (fraude) niet mag lonen en dat te veel of ten onrechte verstrekte bijstand volledig moet worden terugbetaald, onder meer een doelmatig debiteurenbeheer. Appellanten zijn door hun lichamelijke en psychische problemen vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Zij hebben al vele jaren geen betaald werk en zij zullen dit vermoedelijk, zoals niet in geschil is, niet meer verkrijgen. Appellanten hebben onbetwist gesteld dat, gezien hun al lang bestaande situatie en hun medische en psychische problemen, hun vooruitzicht de vordering van de gemeente ooit volledig te kunnen aflossen (nagenoeg) nihil is. Volledige aflossing van de schuld is daarom niet te verwachten. Het college heeft niet gemotiveerd op welke wijze, gelet op deze omstandigheden, het uitgangspunt van een doelmatig debiteurenbeheer bij de besluitvorming is betrokken.

4.2.

Daarnaast is één van de uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid van het college dat een debiteur perspectief moet houden op een schone lei. De nader door het college in dit verband geformuleerde motivering van het bestreden besluit, dat het verzoek om kwijtschelding van appellanten opnieuw beoordeeld zal worden als zij 50% van de schuld hebben afgelost is, in het licht van dit uitgangspunt, gelet op de prognose van hun financiële situatie, zoals onder 4.1 besproken, onbegrijpelijk. Gelet op het ontbreken van aflossingscapaciteit zullen zij dat stadium immers niet kunnen bereiken.

4.3.

Bovendien hebben appellanten weliswaar niet de in het beleid genoemde 50% van de vordering voldaan, maar wel 34% terwijl zij vanaf 2006 geen ruimte voor enige aflossing hadden. Als het college de beslagvrije voet had gerespecteerd, dan zou het zelfs niet 34% van de vordering hebben kunnen innen. Het college heeft niet afdoende gemotiveerd waarom met dit gegeven geen rekening is gehouden

4.4.

Het college heeft in zijn aanvullende motivering opgemerkt dat als de maandelijkse inhouding van € 115,- eerder was gestaakt, het bedrag van de terugvordering niet verder zou zijn geslonken, maar dat de vorderingen van andere partijen dan niet waren ontstaan. Het college heeft hieruit geconcludeerd dat de onrechtmatige inhoudingen per saldo voor de verplichtingen van appellanten niet zo veel verschil maakten. Het college gaat er evenwel aan voorbij dat de schulden van appellanten aan derden zijn opgelopen door incassokosten en dat bovendien appellanten hebben geleefd en leven onder de dreiging van beslaglegging op hun inboedel door de overige schuldeisers. Het maakt dan ook voor de totale schuld van appellanten en hun leefsituatie wel verschil dat zij vorderingen van derden noodgedwongen onbetaald hebben gelaten.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 heeft het college, in het licht van alle in het beleid genoemde uitgangspunten, onvoldoende gemotiveerd waarom het college in dit geval geen aanleiding heeft gezien om op grond van dringende redenen het resterende gedeelte van de terugvordering kwijt te schelden. Dit brengt mee dat het college het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Daarom dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.6.

Uit wat is overwogen onder 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Omdat het college na de tussenuitspraak niet alsnog een draagkrachtige motivering van het bestreden besluit heeft gegeven, kan ervan worden uitgegaan dat herstel niet meer mogelijk is. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil zal de Raad daarom zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 augustus 2014 te herroepen en de resterende vordering van het college op appellanten kwijt te schelden.

4.7.

Uit wat is overwogen onder 4.8 en 4.9 in de tussenuitspraak volgt dat het college restitutie van de bedragen die zijn ingehouden zonder dat daarbij de beslagvrije voet in acht is genomen, heeft mogen weigeren en dat voor vergoeding van schade wegens aan derden betaalde incassokosten geen plaats is. Het verzoek om vergoeding tot veroordeling van schade zal daarom worden afgewezen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 42,40 voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 juni 2015;

- herroept het besluit van 21 augustus 2014, bepaalt dat de resterende vordering van het

college op appellanten wordt kwijtgescholden en bepaalt dat deze beslissing in de plaats

treedt van het besluit van 10 juni 2015;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.114,40;

- bepaalt dat het college het griffierecht in beroep en in hoger beroep van € 169,- aan

appellanten vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2019.

(getekend) W.H. Bel

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

ew