Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
17-7702 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De korpschef mocht zich baseren op het advies van de landelijke Adviescommissie PTSS Politie. Nu de Commissie wegens onvoldoende onderbouwing van de diagnose geen advies kon uitbrengen over de beroepsgerelateerdheid, heeft de korpschef het verzoek om erkenning van de PTSS als beroepsziekte op goede gronden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7702 AW

Datum uitspraak: 31 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 oktober 2017, 16/6534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 18/3019 AW, 18/1347 AW en

18/4106 AW, plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Welter en [ naam A]. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. De Witte-van den Haak. mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten, mr. C.M.I. Huijts en

M.W. La Haye.

In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als medewerker [onderdeel] bij de voormalige politieregio [X]. Uit een screeningsverslag van de HSK groep van 8 september 2014 blijkt dat bij appellant de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld.

1.2.

Op 24 februari 2015 heeft appellant verzocht om de bij hem vastgestelde PTSS aan te merken als beroepsziekte in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). In zijn verzoek heeft appellant vier incidenten uit 2014 vermeld die hebben geleid tot de PTSS.

1.3.

Het verzoek van appellant is voor een advies over de beroepsgerelateerdheid van de gediagnosticeerde PTSS voorgelegd aan de landelijke Adviescommissie PTSS Politie (Commissie). Bij brief van 18 mei 2015 heeft de Commissie, met toestemming van appellant, de HSK Groep om aanvullende informatie verzocht. Bij brief van 2 juni 2015 heeft de

HSK Groep gereageerd op dit verzoek.

1.4.

Op 28 december 2015 heeft de Commissie de korpschef bericht dat zij geen advies uitbrengt over de beroepsgerelateerdheid, omdat er onvoldoende onderbouwing is voor de diagnose PTSS. Daartoe is overwogen dat uit de beschrijving van de incidenten die zich hebben voorgedaan tijdens de loopbaan van appellant bij de politie onvoldoende blijkt dat voor deze incidenten aan het A1-criterium van DSM-IV is voldaan. De Commissie heeft voorts op grond van voortschrijdend inzicht bij de beoordeling van de incidenten het
A-criterium in DSM-5 meegenomen, maar ook dan blijkt uit de incidenten een onvoldoende onderbouwing van het A-criterium.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de korpschef het verzoek van appellant afgewezen, onder verwijzing naar het advies van de Commissie.

1.6.

Appellant is door de bedrijfsarts aangemeld bij de Politie Poli van het

Psychotrauma Diagnose Centrum (PDC), onder meer omdat de behandeling bij de

HSK Groep onvoldoende resultaat heeft gehad. Op 11 februari 2016 is appellant door de Politie Poli van het PDC opnieuw gediagnosticeerd met PTSS. Dit heeft niet geleid tot een andersluidend advies van de Commissie.

1.7.

Bij besluit van 23 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, het volgende overwogen. Niet gebleken is dat de wijze waarop de korpschef bepaalt of sprake is van een beroepsziekte in strijd is met het Barp of enige andere wettelijke regeling. Voor zover de benadering van de korpschef afwijkt van het in de Circulaire PTSS Politie (Circulaire) vastgelegde standpunt dat de Commissie zich niet uitlaat over de diagnose, kan dit niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Het staat de korpschef vrij om nadien, door middel van het onderschrijven van het Protocol Advies Commissie PTSS Politie (Protocol), een ander standpunt in te nemen. De Commissie is de beperkte toetsing zoals vastgelegd in het Protocol niet te buiten gegaan. De concretisering in de interne notitie van de gevallen waarin ‘in het algemeen’ wel of juist niet sprake is van incidenten die vallen onder het A-criterium blijft binnen het kader van de beperkte toetsing. Dat de inhoud van de interne notitie nog niet actueel was ten tijde van het primaire besluit is de rechtbank niet gebleken. De Commissie stelt niet zelf toetsend een diagnose, uitgangspunt blijft de door een gekwalificeerde deskundige gestelde diagnose.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 1, aanhef en onder y, van het Barp bepaalt dat onder beroepsziekte wordt verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

4.2.1.

Voor politieambtenaren geldt sinds 1 januari 2013, met terugwerkende kracht tot

1 januari 2007, de Circulaire, vastgesteld door de Minister van Justitie en Veiligheid. De Circulaire is een invulling van de gemaakte afspraken in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2012-2014) van 31 mei 2012 en heeft tot doel eenheid te brengen tussen de politiekorpsen bij het erkennen van PTSS als beroepsziekte. Daarbij is overeengekomen dat voor een rechtspositionele aanspraak op beroepsziekte bij PTSS het uitgangspunt moet zijn dat als medisch wordt vastgesteld dat PTSS beroepsgerelateerd is, dit ook in rechtspositionele zin erkend wordt, tenzij sprake is van schuld of onvoorzichtigheid van de betrokken ambtenaar. Voor de beoordeling of de ziekte PTSS als beroepsziekte kan worden aangemerkt, blijft het criterium van het bestaan van buitensporige werkomstandigheden, zoals dat is geformuleerd door de Raad bij een ziekte van psychische aard, buiten beschouwing.

4.2.2.

In hoofdstuk 5 van de Circulaire is, voor zover hier van belang, neergelegd dat het Georganiseerd Overleg Politie een Commissie van (medische) deskundigen instelt en van ambtelijke (juridische) ondersteuning voorziet. Met medisch deskundige wordt bedoeld een klinisch psycholoog die BIG-geregistreerd is (dit in verband met ervaring op gebied van diagnostiek en behandeling). De Commissie is een adviescommissie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en geeft advies aan het bevoegd gezag over het beroepsgerelateerd zijn van de PTSS met het oog op besluiten tot vaststelling van de vraag of er sprake is van een beroepsziekte in de zin van de rechtspositie. De Commissie doet geen uitspraak over de vraag of er sprake is van PTSS. Het antwoord op deze vraag wordt aangeleverd door een erkend diagnostisch instituut. De Commissie brengt advies uit over de vraag of er inzake de gediagnosticeerde PTSS een oorzakelijk verband is tussen het beroep en/of de werkomstandigheden (beroepsgerelateerdheid). Verder is in dit hoofdstuk bepaald dat de Commissie tot haar advies komt op basis van de door het bevoegd gezag en de medewerker aangedragen informatie, en op basis van eigen expertise en bevindingen. De Commissie neemt de diagnose van een erkend instituut voor psychotrauma diagnostiek als eerste uitgangspunt om tot een beoordeling te komen. De Commissie stelt een protocol op omtrent haar werkwijze. Dit protocol voorziet in ieder geval in een beoordelingskader, welke als meetlat dient voor het beoordelen van het causale verband tussen de medisch vastgestelde PTSS en het beroep en/of de werkomstandigheden (beroepsgerelateerdheid). Dit protocol wordt vastgesteld in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP).

4.3.1.

Op 28 november 2013 is het Protocol formeel vastgesteld door het CGOP. Hierin heeft de Commissie haar werkwijze en beoordelingskader uiteengezet. In hoofdstuk 3 van het Protocol zijn de opdrachtomschrijving en de taken van de Commissie vastgelegd. Om te kunnen komen tot een goede beoordeling van de beroepsgerelateerdheid is het noodzakelijk dat het dossier een goede beschrijving geeft van de verschijnselen van de PTSS van de indiener, dat er een duidelijk verband te leggen is tussen deze verschijnselen en een eerder incident (of incidenten) dat voldoet (die voldoen) aan de DSM-IV-criteria en dat er een duidelijke beschrijving is van dit (deze) incident(en). Hieruit volgt dat één van de hoofdtaken van de Commissie de beperkte toetsing van de PTSS diagnose.is Deze bestaat eruit dat vastgesteld dient te worden of de diagnose op de juiste wijze tot stand is gekomen, dit betekent dat de diagnose is opgemaakt volgens de eisen die in de gezondheidszorg aan de diagnose en het rapport worden gesteld.

4.3.2.

In hoofdstuk 5 van het Protocol is, voor zover hier van belang, een aantal situaties omschreven waarin de Commissie de behandeling van een verzoek moet staken zonder advies uit te brengen. Eén daarvan betreft de situatie dat de Commissie van mening is dat de diagnose onvoldoende onderbouwing geeft dat aan de criteria van DSM-IV wordt voldaan en de indiener besluit geen her-diagnose of reconstructie te laten maken (zie hoofdstuk 7).

4.3.3.

In hoofdstuk 7 van het Protocol is, voor zover hier van belang, weergegeven op welke wijze de beperkte toetsing van de diagnose PTSS wordt ingevuld. De diagnose moet op de juiste wijze tot stand zijn gekomen, wat betekent dat de diagnose is opgemaakt volgens de eisen die in de gezondheidszorg aan de diagnose worden gesteld. De diagnose moet daarbij gesteld zijn door een daartoe gekwalificeerde deskundige, die onder meer een anamnese heeft afgenomen, de DSM-IV systematiek heeft gevolgd en, indien van toepassing, aanvullend gebruik heeft gemaakt van gevalideerde meetinstrumenten. Het rapport van de diagnose moet daarbij voldoen aan de volgende eisen:

1. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

2. de gronden vinden aantoonbaar steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeld in het rapport;

3. die gronden kunnen de daaruit getrokken conclusies rechtvaardigen;

4. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheidsgebied;

5. de methode van onderzoek teneinde tot de beantwoording van de voorgelegde vraagstelling te komen kon tot het beoogde doel leiden, dan wel de rapporteur heeft daarbij de grenzen van redelijkheid en billijkheid niet overschreden. De Commissie stelt niet zelf een diagnose, maar vergewist zich er uitsluitend van of de gestelde diagnose voldoende onderbouwing geeft dat aan de criteria van DSM-IV wordt voldaan. Indien de Commissie van oordeel is dat het rapport van de diagnose onvoldoende onderbouwing geeft aan de diagnose PTSS, i.c. dat daarin niet helder is dat aan de criteria van DSM-IV wordt voldaan, dan laat de Commissie aan de indiener weten dat er drie opties zijn:

1. de indiener kan aanvullende informatie geven (al dan niet middels een verklaring van de deskundige die de diagnose heeft gesteld);

2. de indiener kan desgewenst opnieuw een diagnose laten stellen die voldoet aan de door de Commissie gestelde eisen. Het meldpunt PTSS kan de indiener hierbij ondersteunen.

3. Indien het niet mogelijk is opnieuw een diagnose te laten stellen (bijvoorbeeld PTSS is inmiddels (deels) hersteld, etc.), kan onderzocht worden of een onafhankelijk deskundige een reconstructie kan maken van een (eerder bestaande) PTSS.

Indien de indiener geen keuze maakt voor één van de hierboven genoemde drie opties, zal de Commissie zich onthouden van advies op grond van onvoldoende onderbouwing van de PTSS diagnose. Indien de indiener kiest voor één van de drie opties, zal de Commissie, nadat de aanvullende informatie is ontvangen, het totale dossier opnieuw toetsen aan de hierboven gestelde criteria.

4.3.4.

In hoofdstuk 8 van het Protocol is, voor zover hier van belang, neergelegd dat het noodzakelijk is dat het dossier een goede beschrijving geeft van de verschijnselen van de PTSS van de indiener, dat er een duidelijk verband te leggen is tussen deze verschijnselen en een eerder incident (of eerdere incidenten) dat voldoet (die voldoen) aan de DSM-IV-criteria en dat er een duidelijke beschrijving is van dit (deze) incident(en). In alle gevallen is het noodzakelijk dat de verschijnselen van de PTSS (de herbelevingen, het vermijdingsgedrag, het significant lijden) duidelijk te koppelen zijn aan een eraan voorafgaand incident dat voldoet aan - of eraan voorafgaande incidenten die voldoen aan - het A1-criterium van

DSM-IV.

4.4.

In de DSM-IV is het A-criterium als volgt gedefinieerd:

De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische gebeurtenis waarbij de volgende punten aanwezig waren:

(1) betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebracht, of die een bedreiging vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen

(2) tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw.

4.5.

Naar aanleiding van de introductie van DSM-5 heeft de Commissie, met input van en na uitgebreid overleg met een dertiental experts, medio 2016 de Interne notitie Richtlijn Beoordeling A-Criterium Commissie PTSS Nationale Politie (Interne notitie) opgesteld. Hierin is, mede aan de hand van een aantal voorbeeldsituaties, nader uitgewerkt hoe het

A criterium van DSM-5 wordt beoordeeld.

4.6.

De Raad stelt voorop dat de Circulaire een invulling is van de gemaakte afspraken in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2012-2014) van 31 mei 2012 en dat de Circulaire is goedgekeurd door het CGOP, waaraan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de korpsleiding als werkgever en de vier politievakorganisaties ACP, NPB, ANPV en VMHP namens de werknemers deelnemen. De Circulaire voorziet in de instelling van de Commissie en in het opstellen van een Protocol door de Commissie, waarin de werkwijze en het beoordelingskader worden neergelegd. Ook het Protocol is door het CGOP goedgekeurd. De Circulaire en het Protocol vormen derhalve samen de uitwerking van de afspraken in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden Politie van 31 mei 2012 en zijn daarom samen aan te merken als de vaste gedragslijn die de korpschef hanteert bij de afhandeling van verzoeken om erkenning van PTSS als beroepsziekte. Anders dan appellant heeft gesteld, is er dan ook geen hiërarchische verhouding tussen de Circulaire en het Protocol.

4.7.

Met de goedkeuring van het Protocol heeft het CGOP unaniem ingestemd met de samenstelling van de Commissie zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de Circulaire werkwijze en het beoordelingskader van de Commissie, met inbegrip van de beperkte toetsing van de diagnose PTSS en de invulling van die beperkte toetsing zoals beschreven in hoofdstukken 7 en 8 van het Protocol. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de diagnose niet beperkt mocht worden getoetst en dat de korpschef diende over te gaan tot erkenning van de PTSS als beroepsziekte, reeds omdat sprake was van een medisch vastgestelde PTSS waarvan de causaliteit met het werk niet ter discussie stond, wordt daarom niet gevolgd.

4.8.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de Commissie zich niet heeft gehouden aan de beperkte toetsing van de diagnose als voorgeschreven in het Protocol, maar verder is gegaan door te toetsen aan het A1-criterium zelf, dat deel uitmaakt van de diagnose die behoort tot het terrein van een medicus. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de hoofdstukken 7 en 8 van het Protocol volgt immers dat de Commissie zich ervan dient te vergewissen of de gestelde diagnose voldoende onderbouwing geeft dat aan de criteria van DSM-IV wordt voldaan. Daarbij is dus ook van belang of in het rapport van de diagnose voldoende is onderbouwd dat is voldaan aan het A1-criterium. In het geval van appellant heeft de Commissie vastgesteld dat uit het screeningsverslag van de HSK Groep van 8 september 2014 onvoldoende duidelijk wordt welke herbelevings- en/of vermijdingsklachten spelen. Daarnaast mist de Commissie een onderbouwing van het A1-criterium met betrekking tot de incidenten die appellant heeft meegemaakt. De Commissie heeft daarom, met toestemming van appellant, de HSK Groep verzocht om aanvullende informatie te verstrekken over de hiervoor genoemde punten. Bij brief van 2 juni 2015 heeft de HSK Groep gereageerd. In deze brief is uitgebreid ingegaan op de klachten van appellant. Met betrekking tot de incidenten die appellant heeft meegemaakt zijn de incidenten zeer summier beschreven waarbij de behandelaar heeft toegelicht dat de incidenten een opeenstapeling zijn geweest die appellant niet meer kon verwerken. In twee gevallen was sprake van fors geweld en een houding van de arrestanten die appellant als ‘ongeïnteresseerd en minachtend’ ervoer. Daarbij heeft hij klaarblijkelijk geen ruimte in het team met collega’s en leidinggevende ervaren om de gebeurtenissen na te bespreken en te verwerken. In de beschrijving en de toelichting daarop is echter niet ingegaan op de vraag of sprake is geweest van incidenten die voldoen aan het A1-criterium van DSM-IV dan wel het A-criterium van DSM 5. In het door appellant in bezwaar overgelegde rapport van

28 januari 2016 van het PDC, waarin opnieuw de diagnose PTSS is gesteld, is evenmin ingegaan op dit criterium in relatie tot de incidenten die appellant heeft meegemaakt. De Commissie heeft hieraan de conclusie verbonden dat onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan het A1-criterium dan wel aan het A-criterium. Anders dan appellant heeft gesteld, is de Commissie hiermee niet getreden in de diagnose, maar heeft zij zich beperkt tot een beoordeling van de onderbouwing van die diagnose. Naar het oordeel van de Raad is de ter zake deskundige Commissie daarmee niet buiten het in de Circulaire en het Protocol gegeven toetsingskader getreden en heeft zij gemotiveerd uiteengezet waarom zij tot het oordeel is gekomen dat de diagnose PTSS onvoldoende is onderbouwd.

4.8.2.

Appellant heeft betoogd dat bij twijfel aan de onderbouwing van de diagnose door de diagnosesteller, het op de weg van de korpschef ligt om een (nader) medisch onderzoek te laten verrichten ter weerlegging van de onderbouwing en de diagnose. Appellant heeft in dit verband nogmaals benadrukt dat de diagnose PTSS is bevestigd in het rapport van
28 januari 2016 van het PDC. Dit betoog slaagt niet. Het miskent het belang van de toetsing die de ter zake deskundige Commissie op grond van de Circulaire en het Protocol verricht. De Commissie heeft, ook nadat zij hierover met toestemming van appellant om nadere informatie van de HSK Groep had gevraagd, vastgesteld dat en gemotiveerd waarom onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan het A1-criterium. Nu er geen grond is om het advies van de Commissie voor onjuist te houden, lag het, anders dan appellant stelt, niet op de weg van de korpschef om (nader) medisch onderzoek te laten verrichten. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat wel aan het A1-criterium is voldaan.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de korpschef zich mocht baseren op het advies van de Commissie. Nu de Commissie wegens onvoldoende onderbouwing van de diagnose geen advies kon uitbrengen over de beroepsgerelateerdheid, heeft de korpschef het verzoek om erkenning van de PTSS als beroepsziekte op goede gronden afgewezen.

4.10.

Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en E.J.M. Heijs en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu

md