Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
16/5210 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering toeslag. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de gedeeltelijke vrijlating van haar inkomsten beperkt was tot maximaal twee jaar, zodat de vrijlating over het jaar 2013 niet meer kon worden toegepast. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5210 TW

Datum uitspraak: 18 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016, 15/5015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendonk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen Uwv‑folders over het recht op toeslag in te zenden.

Partijen hebben stukken ingezonden. Het Uwv heeft desgevraagd gereageerd op de door appellante ingezonden folder.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 17 december 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ouwerkerk‑Hoogendonk. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 30 maart 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij ontvangt vanaf 22 november 2010 een WGA‑vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar aanleiding van een aanvraag van appellante is aan haar met ingang van 22 november 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. Appellante verricht daarnaast werkzaamheden als zelfstandige. Het Uwv heeft ten aanzien van de uit die werkzaamheden gerealiseerde winst (inkomsten) over de jaren 2011, 2012 en 2013 vastgesteld dat deze inkomsten geen aanleiding geven tot een wijziging van de WGA‑vervolguitkering van appellante over die jaren. Vastgesteld is dat de inkomsten als zelfstandige wel van invloed zijn op de hoogte van de toeslag, en dat deze dienen te leiden tot een verlaging van de toeslag over de jaren 2011, 2012 en 2013. Daarbij is over de jaren 2011 en 2012 een deel van de inkomsten vrijgelaten.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 18 juni 2015 de aan appellante verstrekte toeslag over de perioden van 1 januari 2013 tot 1 juli 2013 en 1 juli 2013 tot 1 januari 2014 verlaagd naar € 648,59 bruto per maand. Bij besluit van eveneens 18 juni 2015 heeft het Uwv over het jaar 2013 een bedrag van € 2.881,50 van appellante teruggevorderd.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 18 juni 2015. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij het niet eens is met de hoogte van de terugvordering over 2013, omdat zij er niet van op de hoogte was dat haar inkomsten uit arbeid slechts gedurende twee jaar gedeeltelijk buiten aanmerking gelaten zouden worden en dat zij daarover onjuist is geïnformeerd door het Uwv. Een werkcoach bij het Uwv heeft haar er juist op gewezen dat werken loont. Er is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.

1.4.

Bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de TW en artikel 7, eerste lid, van de TW, op goede gronden heeft besloten dat het recht op toeslag van appellante over 2013 moet worden verlaagd, zonder daarbij rekening te houden met een vrij te laten bedrag. De rechtbank is niet gebleken dat aan appellante door een medewerker van het Uwv een toezegging is gedaan op grond waarvan zij erop kon vertrouwen dat voor het jaar 2013 ook een vrijstelling zou gelden. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat uit een e-mailbericht van 24 augustus 2015 blijkt dat de werkcoach van appellante niet op de hoogte was van het feit dat appellante een toeslag ontving op haar WIA‑uitkering. De door de werkcoach gemaakte berekeningen over het bedrag dat appellante kon bijverdienen waren daarom uitsluitend gebaseerd op haar WIA‑uitkering. Het Uwv was verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen afzien van terugvordering van de toeslag.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie haar in beroep aangevoerde gronden herhaald. Appellante heeft haar stelling dat in de folders van het Uwv niet is gewezen op de tijdelijke aard van de vrijlatingsregeling in de TW, onderbouwd met de folder ‘Uitkering + toeslag van Uwv’ uit 2011.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft gewezen op de folders ‘Daarvan kan ik niet rondkomen’ uit januari 2008, oktober 2010, juli 2013 en oktober 2013,waarin het tijdelijk karakter van de vrijlatingsregeling is beschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geding dat uit het bepaalde in artikel 7 van de TW volgt dat de daarin opgenomen vrijlatingsregeling slechts gedurende twee jaar kan worden toegepast, zodat de inkomsten over het jaar 2013 in beginsel volledig in aanmerking moeten worden genomen.

4.2.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, van de TW is het Uwv gehouden de toeslag te herzien als die tot een te hoog bedrag is verleend. Het Uwv ziet op grond van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230) (beleidsregels) echter af van toepassing van deze dwingendrechtelijke wetsbepaling in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering werd ontvangen. Deze beleidsregels dienen te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad is van oordeel dat de beleidsregels in het geval van appellante op consistente wijze zijn toegepast en overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de gedeeltelijke vrijlating van haar inkomsten beperkt was tot maximaal twee jaar, zodat de vrijlating over het jaar 2013 niet meer kon worden toegepast. Appellante is op het aanvraagformulier voor de toeslag van 23 november 2010 gewezen op de folder ‘Daarvan kan ik niet rondkomen’. Daarin staat: “Het is dan goed om te weten dat een deel van uw inkomsten de eerste twee jaar niet meetelt bij het berekenen van de toeslag. Het bedrag van het inkomen dat niet meetelt is maximaal 15% van het bruto minimumloon”. Uit deze zinsnede had appellante de beperkte duur van de vrijlatingsregeling zonder meer duidelijk kunnen zijn. Dat appellante geen kennis heeft genomen van de betreffende folder en zich heeft gebaseerd op informatie uit de folder ‘Uitkering + toeslag van Uwv’ komt voor haar risico. In laatstgenoemde folder wordt de vrijlatingsregeling noch de beperkte duur daarvan genoemd, omdat de folder uitsluitend informatie geeft over het melden van veranderingen die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de toeslag. Voor informatie over het recht op toeslag wordt in de betreffende folder verwezen naar voornoemde folder ‘Daarvan kan ik niet rondkomen’.

4.4.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Onderschreven wordt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door een medewerker van het Uwv toezeggingen zijn gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat de vrijstellingsregeling ook voor het jaar 2013 voor haar zou gelden. De mailwisseling tussen appellante en haar werkcoach in 2015 biedt geen onderbouwing voor haar beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de betreffende werkcoach appellante in het jaar 2013 nog niet begeleidde. Verder kon appellante ook aan de haar toegezonden WIA‑besluiten geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen, nu deze – zoals ook blijkt uit de aanhef van die besluiten – geen betrekking hadden op de toeslag. Voor zover appellante stelt dat zij onvolledig is voorgelicht wordt ten slotte overwogen dat, daargelaten de juistheid van die stelling, een niet gedane of onvolledige mededeling niet kan leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.5.

Gelet op het voorgaande was het Uwv gehouden de toeslag te herzien en de onverschuldigd betaalde toeslag van appellante terug te vorderen. Van dringende redenen op grond waarvan het Uwv bevoegd is van terugvordering af te zien, is niet gebleken. Naar vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellante als gevolg van de herziening en de terugvordering van de toeslag optreden. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties als gevolg van de terugvordering van de toeslag.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk‑Prins als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) W.M. Swinkels

md