Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-2736 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. De gegevens van het onderzoek bieden onvoldoende inzicht in de woon- en leefsituatie van betrokkene. Gezamenlijk hoofdverblijf is niet voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2736 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2017, 16/4108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Th. Martens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Heidergott. Namens betrokkene is mr. Martens verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft met ingang van 15 mei 2007 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 1 januari 2012 ontving zij de bijstand in aanvulling op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Betrokkene stond volgens de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente [gemeente 1] ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Bij het dagelijks bestuur is in december 2015 een tip binnengekomen dat [naam] (X) samenwoonde met betrokkene op het uitkeringsadres. X, die werkzaam is op kermissen, stond volgens de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] (adres van X). Naar aanleiding van die tip is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In het kader van dit onderzoek hebben betrokkene en X tegenover de sociale recherche beiden een verklaring afgelegd, zijn twee getuigen gehoord en hebben waarnemingen plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2016 met bijlagen.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest bij besluit van 26 mei 2016 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2016 in te trekken, met ingang van 23 maart 2016 te beëindigen (lees: in te trekken) en een bedrag van € 864,71 van betrokkene terug te vorderen op de grond dat betrokkene vanaf 1 januari 2016 met X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op het uitkeringsadres.

1.3.

Betrokkene heeft zich op 30 mei 2016 gemeld voor een nieuwe aanvraag om bijstand. Bij besluit van 11 juli 2016 heeft het dagelijks bestuur die aanvraag afgewezen omdat er volgens de verklaring van betrokkene niets was gewijzigd in haar woon- en leefsituatie.

1.4.

Bij besluit van 29 juli 2016 heeft het dagelijks bestuur betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 440,-.

1.5.

Bij besluit van 13 september 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de onder 1.2, 1.3 en 1.4 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 26 mei 2016 herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 1 januari 2016 in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering op grond van de PW. Voorts heeft de rechtbank de besluiten van 11 juli 2016 en 29 juli 2016 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft, samengevat, het volgende overwogen. Het dagelijks bestuur heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Een huisbezoek en een buurtonderzoek hebben niet plaatsgevonden. De waarnemingen zijn zeer beperkt van omvang geweest en allebei verricht in de winterperiode, terwijl betrokkene heeft aangegeven dat X dan vaker (incidenteel) bij haar verblijft dan in de zomer vanwege de beëindiging van het kermisseizoen. De verklaringen van betrokkene en X bevatten nuanceringen die door het dagelijks bestuur niet zijn onderkend. Die verklaringen, in hun onderlinge samenhang bezien, bieden onvoldoende grondslag voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres. Nu het hoofdverblijf niet is komen vast te staan, behoeft de wederzijdse zorg geen nadere bespreking.

3. In hoger beroep heeft het dagelijks bestuur zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. Het dagelijks bestuur erkent dat de veronderstelling van een gezamenlijke huishouding niet nader met objectieve gegevens is onderbouwd. De verklaringen van betrokkene en X bieden echter voldoende feitelijke grondslag. De nuanceringen in de verklaringen waar de rechtbank naar verwijst, zijn er niet. Uit de verklaringen van betrokkene en X en de getuige [getuige] (getuige) blijkt dat X feitelijk verblijft op het uitkeringsadres, zodat dit ook het hoofdverblijf van X is. Uit het verhoor van X valt op te maken dat hij sinds december 2015 geen eigen woning meer heeft en bij betrokkene is ingetrokken. Daarmee heeft X zijn woonstede op zijn adres te [gemeente 1] prijsgegeven en verplaatst naar de woning van betrokkene op het uitkeringsadres, zodat X daar feitelijk verblijft. Het dagelijks bestuur verwijst naar de uitspraak van 19 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2070, waarin volgens het dagelijks bestuur een vergelijkbare situatie aan de orde is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2016 tot en met 26 mei 2016, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

In hoger beroep is aan de orde het antwoord op de vraag of betrokkene in de te beoordelen periode samen met X een gezamenlijke huishouding voerde. Daartoe is, gelet op de aangevallen uitspraak, eerst van belang of appellante samen met X haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Indien die vraag met de rechtbank ontkennend wordt beantwoord, behoeft de vraag of sprake was van wederzijdse zorg geen beantwoording. Ook komen de afwijzing van de nieuwe aanvraag van betrokkene en de haar opgelegde boete niet aan de orde, omdat daaraan dan de grondslag is ontvallen.

4.3.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Het dagelijks bestuur is daarin niet geslaagd. Het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van betrokkene en X, in hun onderlinge samenhang bezien, onvoldoende grondslag bieden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, is juist. Zo heeft betrokkene verklaard dat zij best met X wil samenwonen, maar dat hij enorm veel schulden heeft. Zij heeft er angst voor hoe dat financieel zou gaan. Als X zijn financiën op orde heeft, vindt zij de situatie anders. Vanaf januari 2016 waren zij volgens de verklaring van betrokkene vaker bij elkaar. Hieruit blijkt echter niet dat zij toen al samenwoonden, in de zin dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De omstandigheid dat X vanaf december 2015 niet meer op zijn adres in Assen woonde, wil niet zeggen dat X toen zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene. X had volgens zijn verklaring en die van betrokkene geen sleutel van de woning van betrokkene en hij had ook een verblijfadres in [gemeente 2] . Appellante heeft verklaard dat X meer in [gemeente 2] is dan bij haar. De situatie dat X zijn persoonlijke spullen, slechts bestaande uit een tas met kleding en een doos met foto’s, kennelijk tijdelijk in de woning van betrokkene had opgeslagen, maakt dit niet anders. Tijdens de verhoren van betrokkene en X is onvoldoende doorgevraagd om meer duidelijkheid te verkrijgen over de woon- en leefsituatie van betrokkene en X in de te beoordelen periode.

4.5.

Ook de overige gegevens van het onderzoek bieden onvoldoende inzicht in de woon- en leefsituatie van betrokkene en X in de te beoordelen periode. De verklaring van de getuige, de vader van X, berust hoofdzakelijk op vermoedens. Hij heeft verklaard dat X bij betrokkene woont, maar ook dat hij met kerst in 2015 bij betrokkene en X op het uitkeringsadres is geweest, dat X er toen volgens hem nog niet woonde en dat hij denkt dat X er vanaf januari 2016 woont. Waarom de vader dit denkt is niet gevraagd. De verklaring van de nieuwe bewoonster van het adres van X te [gemeente 1] is voor deze zaak niet relevant, reeds omdat ze X nooit heeft gezien en heeft verklaard dat zij niet weet waar hij verblijft. Ten slotte zijn de waarnemingen te beperkt in omvang geweest om daaraan enige betekenis toe te kennen voor de hier te beantwoorden vraag.

4.6.

De door het dagelijks bestuur gemaakte vergelijking met de situatie in de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2070, gaat niet op, reeds omdat X ook een verblijfadres in [gemeente 2] had en de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag vormen voor de conclusie dat hij van daaruit telkens weer naar de woning van betrokkene terugkeerde.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat er onvoldoende grondslag bestaat voor intrekking van de aan betrokkene verleende bijstand in de te beoordelen periode, zodat ook de grondslag aan de onder 1.3 en 1.4 genoemde besluiten is komen te ontvallen.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- wegens verleende rechtsbijstand, te weten voor indiening van het verweerschrift en het verschijnen ter zitting.

6. Tevens wordt van het dagelijks bestuur op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
€ 1.024,-;

- bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

ew