Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-4406 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2790, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2791, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4406 PW-PV, 17/4407 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2017, 17/440 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 april 2017, 16/10207 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Zitting heeft: A. Stehouwer

Griffier: L. Hagendijk

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2019. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Onwijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

14 maart 2016 ingetrokken. Bij besluit van 8 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat de datum van de intrekking wordt bepaald op 19 april 2016. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek op 19 april 2016 en dat uit onderzoek is gebleken dat sinds januari 2016 andere personen woonachtig zijn op het uitkeringsadres, op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat appellant daar niet zijn hoofdverblijf heeft. Appellant heeft hierdoor de inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

1.2.

Bij besluit van 23 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand van 31 mei 2016 afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft, waardoor zijn woonsituatie onduidelijk is gebleven.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht een herhaling is van wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Het college heeft daarop in het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd. Aangezien appellant in beroep niet heeft geconcretiseerd waarom deze reactie van het college tekort zou schieten en evenmin nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die nog niet door het college in het bestreden besluit zijn betrokken, bestaat er geen aanleiding om nader op deze gronden in te gaan.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het gaat om een nieuwe aanvraag na een eerdere intrekking van het recht op bijstand vanwege een onduidelijke woonsituatie. In die situatie ligt het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat zich na de intrekking een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Daarin is appellant niet geslaagd. Appellant heeft in het kader van de nieuwe aanvraag om bijstand een verklaring van 24 juni 2016 overgelegd waarbij diverse personen hun handtekening hebben gezet onder de stelling dat appellant leeft en woont op het uitkeringsadres. Aan deze verklaring kan niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien, nu niet duidelijk is wie de personen zijn die de verklaring hebben ondertekend en waarop deze verklaring is gebaseerd. Ter zitting heeft het college erkend dat in bestreden besluit 2 niet gemotiveerd is gereageerd op de bezwaargrond van appellant dat aan hem met ingang van 8 juli 2016 wel bijstand is toegekend en zijn omstandigheden niet zijn gewijzigd. Naar oordeel van de rechtbank is bestreden besluit 2 in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het college heeft ter zitting gemotiveerd dat de situatie van appellant op 31 mei 2016 niet vergelijkbaar was met die op 8 juli 2016, omdat naar aanleiding van de aanvraag van 8 juli 2016 opnieuw een huisbezoek is afgelegd en appellant toen heeft aangetoond dat hij wel woonachtig was op het uitkeringsadres. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in de te beoordelen periode, die loopt van 31 mei 2016 tot en met 23 juni 2016, ook het geval was. Gelet daarop heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3. In hoger beroep heeft appellant ten aanzien van bestreden besluit 1 aangevoerd dat hij in bezwaar voldoende heeft onderbouwd dat hij wel woonachtig was op het uitkeringsadres. Over bestreden besluit 2 heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een verschil bestond in de woonsituatie van appellant op 8 juli 2016 en die in de te beoordelen periode. Bovendien heeft de rechtbank niet concreet gemaakt waarin dat kenmerkende verschil bestaat.

4. De gronden appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormen in essentie een herhaling van de gronden die appellant in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraken 1 en 2 deze gronden besproken en geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Appellant heeft in hoger beroep niet onderbouwd waarom hij dit oordeel van de rechtbank niet juist acht. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Dit betekent dat de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 niet slagen, zodat die uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier, De voorzieningenrechter,

(getekend) L. Hagendijk (getekend) A. Stehouwer

ew