Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-698 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet wonend op het uitkeringsadres. Afgesloten van water. Appellant heeft vooronderstelling dat hij niet kan wonen in de woning zonder wateraansluiting niet kunnen weerkeggen. Nieuwe aanvraag terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 698 PW, 17/699PW, 18/4875 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2017, 16/2779 en 16/3894 (aangevallen uitspraak 1) en 31 augustus 2018, 18/867 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

dagelijks bestuur van het Werkplein Fivelingo (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 22 januari 2019

PROCESVERLOOP

Per 1 januari 2017 oefent het dagelijks bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de Participatiewet (PW) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de ISD Noordoost werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de ISD Noordoost.

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en appellant een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 17/5350 PW, plaatsgevonden op

11 december 2018. Voor appellant is mr. Van Dijk verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Nijkeuter. In de zaak 17/5350 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 september 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de PW. Appellant heeft als woonadres opgegeven [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Nadat een aan appellant gericht poststuk op 10 september 2015 retour was ontvangen met de vermelding “woont er niet meer” en na ontvangst van een anonieme melding op

25 september 2015 inhoudende dat appellant niet in de woning verblijft, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft het dagelijks bestuur onder meer een heronderzoeksformulier naar appellant gestuurd en verbruiksgegevens van gas, water en licht laten opvragen. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in een rapport van 28 oktober 2015.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 21 oktober 2015 de bijstand van appellant vanaf 1 oktober 2010 in te trekken. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onverwijld en uit eigen beweging te melden dat [naam] zijn partner is.

1.4.

Bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het tegen het besluit van 21 oktober 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bijstand van appellant met ingang van 6 september 2012 ingetrokken. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste informatie te geven over zijn woonadres.

1.5.

Appellant had inmiddels op 3 december 2015, met opgave van het uitkeringsadres als zijn woonadres, een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. In dat kader hebben medewerkers van het Team Inkomen van het dagelijks bestuur (Team Inkomen) diezelfde dag een intakegesprek gevoerd met appellant en aansluitend een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres.

1.6.

Bij besluit van 4 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juni 2016 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres waarop hij staat ingeschreven en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van 27 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2018 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 september 2012 tot en met 30 september 2015 tot een bedrag van € 35.922,63 bruto van appellant teruggevorderd.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 september 2012, de datum van intrekking, tot en met 21 oktober 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

Niet in geschil is dat het uitkeringsadres in de periode van 6 september 2012 tot 21 december 2015 afgesloten is geweest van water. In zijn uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986, heeft de Raad zijn eerdere rechtspraak over extreem laag waterverbruik verduidelijkt. Bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden - ongeacht het aantal personen van dit huishouden - is sprake van een extreem laag waterverbruik. Daarbij is het volgende van belang. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) hanteert voor een eenpersoonshuishouden een gemiddeld waterverbruik van 46 m³ per jaar. Het Nibud heeft voor het vaststellen van dit gemiddelde gebruikgemaakt van gegevens van de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (Vewin). Een extreem laag verbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene(n) niet zijn hoofdverblijf heeft/hebben op het uitkeringsadres. Het is in deze situatie aan de betrokkene(n) om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.5.

Appellant is hierin niet geslaagd. Appellant heeft aangevoerd dat hij in zijn waterbehoefte heeft kunnen voorzien omdat hij beschikte over een waterton (regenwater). Hij heeft hiermee evenwel niet aannemelijk gemaakt dat hij de woning toch als zijn hoofdverblijf heeft kunnen gebruiken. Niet valt in te zien hoe appellant in de woning heeft kunnen leven zonder schoon drinkwater en - vooral - zonder een functionerend toilet.

4.6.

Nu appellant, gelet op 4.4 en 4.5, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, derde lid, van de PW gehouden de bijstand over de periode van 6 september 2012 tot en met 21 oktober 2015 in te trekken.

Terugvordering

4.7.

Appellant heeft met verwijzing naar een bericht van een klinisch psycholoog van

12 maart 2018 en een psychosociaal verslag van een maatschappelijk werker van

25 augustus 2018 aangevoerd dat in zijn psychosociale problematiek dringende redenen zijn gelegen om van terugvordering af te zien. Appellant doet in dit verband een beroep op een uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3974. Dit betoog slaagt niet.

4.8.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Met de door hem onder 4.7 genoemde informatie heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering ernstige gevolgen zal hebben voor zijn psychische gesteldheid. Uit het bericht van de klinisch psycholoog volgt dat het met appellant (iets) beter gaat en dat hij zijn leven lijkt op te pakken. De psycholoog heeft geen passende hulpvraag vastgesteld en appellant doorverwezen naar maatschappelijk werk. Reeds hierom slaagt het beroep op de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3974, niet. In de zaak die heeft geleid tot deze uitspraak, ging het om een persoon met verstandelijke beperkingen en - mede als gevolg daarvan - dreiging met zelfmoord. Ook uit het verslag van de maatschappelijk werker komen geen bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden naar voren, waarin appellant na de terugvordering is komen te verkeren. In de door appellant gestelde samenhang met financiële problemen en onmogelijkheid van toegang tot de schuldhulpverlening liggen evenmin dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin besloten op grond waarvan het dagelijks bestuur had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat voor raadpleging van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellant verzocht, en nader onderzoek naar de sociale aanvaardbaarheid van de terugvordering in dit geval geen aanleiding bestaat.

Afwijzing aanvraag

4.10.

De te beoordelen periode loopt van 3 november 2015, de datum waarop appellant zich heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand, tot en met 4 december 2015, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.11.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen onder meer over zijn woon- en leefsituatie en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.12.

Appellant heeft in hoger beroep geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Appellant heeft volstaan met een verwijzing naar zijn standpunt dat de rechtsgevolgen van de intrekking van bijstand ten onrechte in stand zijn gelaten. In de te beoordelen periode was appellant nog niet aangesloten op water. De Raad verwijst dan ook in eerste instantie naar 4.4 en 4.5. Verder is van belang dat het Team Inkomen tijdens het huisbezoek op 3 december 2015 heeft vastgesteld dat op het door appellant opgegeven adres geen koelkast aanwezig was, geen voedsel en dat de woning ook overigens (bijna) leeg was.

Conclusie

4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat de hoger beroepen van appellant niet slagen, zodat aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, en aangevallen uitspraak 2 moeten worden bevestigd. Voor een toewijzing van het verzoek om schadevergoeding is daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Smolders

md