Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:509

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-5385 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor de premie van aanvullende tandartsverzekering. Voorliggende voorziening en geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5385 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2017, 17/159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heereveen (college)

Datum uitspraak: 29 januari 2019

Zitting hebben: G.M.G. Hink

Griffier: L. Hagendijk

Partijen, waarvan appellante met bericht, zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de maandelijkse premies van de aanvullende ziektekostenverzekering AV Optimaal en van de aanvullende tandartsverzekering AV tand Extra. Het college heeft, na bezwaar, aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van de aanvullende ziektekostenverzekering AV Extra over 2015 tot een bedrag van € 231,- en over 2016 tot een bedrag van € 251,40, omdat de medische kosten die gedekt worden door deze aanvullende ziektekostenverzekering noodzakelijk zijn. Deze ziektekostenverzekering biedt voldoende dekking voor appellante. De bijzondere bijstand voor de kosten voor de aanvullende ziektekostenverzekering AV Optimaal heeft het college afgewezen omdat deze niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Het college heeft de aanvraag voor kosten van de aanvullende tandartsverzekering AV Tand Extra afgewezen omdat voor de kosten van tandheelkundige hulp de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een aan de Participatiewet (PW) voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden aangemerkt.

De beroepsgronden van appellante laten zich zo samenvatten dat de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand heeft gevraagd wel noodzakelijke kosten van bestaan zijn omdat haar gezondheid met de jaren alleen maar zal verslechteren. Appellante heeft er belang bij om optimaal verzekerd te zijn omdat dit haar rust geeft. Verder heeft zij de tandheelkundige behandelingen nodig en is het niet redelijk om te wachten op een acute noodsituatie om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de premies van de aanvullende ziektekostenverzekering AV Optimaal niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4764 in de zaak van appellante betreffende dezelfde kosten over 2014. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verder is de Zvw volgens vaste rechtspraak voor tandheelkundige kosten in beginsel een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3415). Anders dan aangekondigd heeft appellante geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van medische noodzakelijke tandheelkundige behandelingen waarvoor een aanvullende tandartsverzekering noodzakelijk is. Uit de reeds in beroep overgelegde verklaring van de tandarts en de mondhygiëniste blijkt niet van een noodzaak voor een aanvullende tandartsverzekering. Indien deze zorg als niet noodzakelijk kan worden aangemerkt, staat artikel 15 van de PW in de weg aan verlening van bijstand.

Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW om bijzondere bijstand te verlenen, is geen sprake. Appellante heeft niet gesteld dat sprake is van een acute noodsituatie, waarbij de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Het actualiteitsbeginsel dat aan de PW ten grondslag ligt, staat in de weg aan het verlenen van bijzondere bijstand voor mogelijk toekomstige kosten.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink

sg