Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
17-2759 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde verkoop van privé-goederen op Marktplaats. Intrekking en terugvordering bijstand. Het aanvullend recht op bijstand is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2759 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 februari 2017, 16/3197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], destijds wonende te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Optimisd (dagelijks bestuur) met ingang van 1 januari 2017 overgedragen aan het college. In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellante heeft mr. A.C.J. Letmaath, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Namens appellante is mr. Letmaath verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Königs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 3 maart 2015 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante via de website marktplaats.nl (Marktplaats) goederen verhandelt, heeft een handhavingsmedewerker van Optimisd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn gegevens van Marktplaats gevorderd en heeft appellante op 16 maart 2016 een verklaring afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 maart 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 3 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 september 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2015 in te trekken en de over de periode van 1 september 2015 tot 1 maart 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.553,65 van haar terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de verkoop van goederen via Marktplaats. Appellante heeft geen duidelijkheid verschaft over de hoogte van haar inkomsten als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2015 tot en met 3 juni 2016.

4.2.

Appellante heeft niet betwist dat zij in de te beoordelen periode via Markplaats dameskleding, damesschoenen, telefoons, televisies, boeken, sieraden en tassen heeft aangeboden. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van handel, maar van incidentele verkoop van privégoederen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:BP8124) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van de daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomsten aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling hoeft te worden gedaan. Uit de door Markplaats verstrekte overzichten blijkt dat appellante in de te beoordelen periode ruim 220 artikelen te koop heeft aangeboden, met prijzen die varieerden van € 10,- tot € 550,-. Gelet op de aard, de omvang en de regelmaat van de verkoopactiviteiten is geen sprake geweest van incidentele verkoop van privégoederen. Gelet hierop moeten de activiteiten van appellante op Markplaats dan ook worden aangemerkt als handel. Dat, naar appellante stelt, deels sprake is van herhaalde advertenties maakt dat niet anders. Achteraf valt bovendien niet te controleren en te verifiëren in hoeverre daarvan sprake is geweest.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante geen melding heeft gedaan bij het college van haar verkoopactiviteiten op Markplaats. Hierdoor heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Voor appellante had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die activiteiten van invloed konden zijn op het recht op bijstand.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft geen (deugdelijke) administratie of boekhouding met betrekking tot haar verkoopactiviteiten overgelegd en niet op andere wijze objectieve en verifieerbare gegevens in het geding gebracht op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld hoeveel inkomsten zij heeft verworven. Uit de door appellante zelf aangebrachte nummering bij het door Marktplaats verstrekte overzicht kan, anders dan appellante heeft betoogd, niet worden geconcludeerd dat zij in feite slechts 48 artikelen te koop heeft aangeboden en dat verder veelal sprake is geweest van herhaalde advertenties, zoals ook aan het eind van 4.3 is overwogen. Evenmin zijn er aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat zoals appellante stelt, de meeste aangeboden artikelen afkomstig waren van gezinsleden en dat zij slechts dertien - van de 48 - artikelen daadwerkelijk heeft verkocht. De door appellante ter onderbouwing van de laatste stelling overgelegde foto’s van niet verkochte artikelen zijn niet verifieerbaar. Nu onvoldoende verifieerbare informatie beschikbaar is om een betrouwbare reconstructie van de opbrengsten uit de internetverkoop van appellante te maken, kan het recht op bijstand, anders dan appellante heeft betoogd, ook niet schattenderwijs worden vastgesteld.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.L. Boxum en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) S.A. de Graaff

ew