Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:50

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
17/1626 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor de opgelegde maatregel. Email van bedrijf X over gedrag en lichaamstaal tijdens sollicitatiegesprek is onvoldoende. Ook de uitlating van betrokkene dat hij vanwege de bijstandsuitkering op sollicitatiegesprek is gekomen, is onvoldoende. De Raad voorziet zelf en herroept de maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/92 met annotatie van M.W. Venderbos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1626 PW

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2017, 16/139 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.H.M. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 6 juli 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van toepassing. In dit verband is appellant aangemeld voor een traject bij Back2Work. Appellant wordt door een medewerker van Back2Work begeleid en ondersteund bij het vinden van werk.

1.2.

Via Back2Work is appellant uitgenodigd om te solliciteren op een functie van telemarketeer bij [naam bedrijf] (bedrijf X).

1.3.

Na een eerste sollicitatiegesprek op 25 februari 2015 heeft appellant op 5 maart 2015 een tweede gesprek gevoerd bij bedrijf X voor de functie van telemarketeer. Die functie is appellant uiteindelijk niet aangeboden. Over de reden hiervan heeft een medewerker van bedrijf X, op 5 maart 2015 een email gestuurd naar de medewerker van Back2Work: “Vanmorgen is [appellant] op sollicitatie geweest voor de functie telemarketeer. We hebben hem ontvangen met een kop koffie en mijn collega heeft kort met hem gesproken voordat hij gesprekken mocht beluisteren om een gevoel te krijgen van het werk. Tijdens dat gesprekje heeft hij al aangegeven dat hij hier moet komen, dat hij wordt gestuurd en dat hij een hekel heeft aan telemarketing. Tevens is de ongemotiveerde lichaamstaal opgemerkt door mijn collega en dat heeft ze benoemt naar hem en dat bevestigde hij. Dan weten jullie dat ook meteen. Ik wil in de ICT. Hij gaf aan dat hij niets kan verkopen, dat is mogelijk ook de reden dat hij niet aan een baan komt, want hij kan ook zichzelf niet verkopen. Mijn collega heeft hem aan het luisteren gezet en overleg met mij gehad. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat [appellant] totaal geen interesse in het aangeboden werk heeft en ze hebben hem snel naar huis laten gaan”.

1.4.

In een email van 6 maart 2015 heeft de medewerker van Back2Work aan appellant gevraagd hoe het sollicitatiegesprek is gegaan. Appellant heeft in reactie op dat verzoek haar nog dezelfde dag een email gestuurd: “Gisteren was ik iets voor half elf bij [bedrijf X]. Na een korte introductie/kennismaking met de begeleidster, waarin ik aangaf open te staan voor de baan, heb ik kort kennisgemaakt met twee medewerkers die aan het werk waren; leuke mensen. Vervolgens werd mij kort de werkwijze van [bedrijf X] uitgelegd en werden een aantal voorbeelden van klanten waarvoor zij werkzaam zijn besproken. Om een goed beeld te krijgen van de telefonische procedure en de gesprekstechnieken, leek het mijn begeleidster handig om een half uur naar een aantal gesprekken te luisteren op band. Ik heb de headset opgezet en de applicatie gestart om de gesprekken te beluisteren. Ik was naar het tweede gesprek aan het luisteren toen zij na 10 minuten weer bij mij kwam om mee te delen dat ze het bij nader inzien toch geen goed idee vond om verder te gaan met elkaar en hebben we afscheid van elkaar genomen”.

1.5.

Vervolgens heeft de medewerker van Back2Work, eveneens op 6 maart 2015, per email (van 09:52 uur) aan bedrijf X om een reactie gevraagd, waarop de medewerker van bedrijf X op 9 maart 2015 heeft gereageerd: “Het [bericht van appellant] is juist, maar hij vergeet te melden dat hij zich negatief heeft uitgelaten over de functie en dat hij is aangesproken op een ongeïnteresseerde lichaamstaal, welke hij bevestigde. Misschien heeft hij niet door hoe hij overkomt op anderen”.

1.6.

Bij brief van 21 april 2015 heeft het college het voornemen uitgesproken om een maatregel op te leggen. Appellant heeft hierop op 6 mei 2015 gereageerd met een weergave van de gang van zaken zoals onder 1.4 vermeld. Hij sluit af met de volgende opmerking: “Op geen enkele wijze heb ik mij negatief uitgelaten over de baan”.

1.7.

Bij besluit van 20 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met 100% verlaagd voor de duur van een maand (augustus 2015). Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met zijn opmerkingen tijdens het sollicitatiegesprek op

5 maart 2015 over de werkzaamheden van telemarketeer en zijn ongemotiveerde lichaamstaal dusdanig gedrag vertoont dat hij het verkrijgen of aanvaarden van werk heeft belemmerd. Het in algemene zin negatief uitlaten over die werkzaamheden draagt het risico in zich dat een werkgever zijn keus niet op de betrokkene laat vallen. Zo is appellant door eigen toedoen, houding en gedrag de functie van telemarketeer misgelopen, waardoor hij niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat zijn gedrag en houding tijdens het sollicitatiegesprek op 5 maart 2015 ten onrechte als negatief is aangemerkt en dat niet duidelijk is gemaakt om welk gedrag en welke houding het gaat. Tevens stelt appellant dat hij tijdens het sollicitatiegesprek van 5 maart 2015 niet is aangesproken op zijn houding. Appellant betwist de inhoud van de email van de medewerker van bedrijf X van 5 maart 2015 en het standpunt van het college dat hem door zijn gedrag en houding de functie van internetmarketeer bij bedrijf X niet is aangeboden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Op grond van het vierde lid verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:

g. het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;

4.1.2.

Aan het vijfde lid is toepassing gegeven bij de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heiloo 2015 (Afstemmingsverordening), die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt bij niet nakoming van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder g, van de PW een maatregel opgelegd van 100% voor de duur van een maand.

4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de belanghebbende belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft het college niet aan de in 4.2 opgenomen bewijslast voldaan. Het college heeft zijn standpunt, zo is ook ter zitting bevestigd, gebaseerd op de in 1.3 genoemde email van 5 maart 2015. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college te kennen gegeven dat de ongemotiveerde lichaamstaal bij nader inzien niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Aan de email van 5 maart 2015 kan niet die betekenis worden gehecht die het college daaraan heeft toegekend. Appellant heeft van meet af aan ontkend dat hij zich negatief heeft uitgelaten over de functie van telemarketeer. Ook uit zijn reactie van 6 maart 2015 valt niet af te leiden dat appellant zich negatief over de functie heeft uitgelaten. Appellant heeft toegelicht dat hij slechts eerlijk is geweest over het feit dat hij vanwege het ontvangen van een bijstandsuitkering op sollicitatiegesprek is gekomen. Onder deze omstandigheden had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant door zijn uitlatingen tijdens het sollicitatiegesprek op 5 maart 2015 er blijk van heeft gegeven zich te weinig te hebben ingespannen om de functie van telemarketeer bij bedrijf X te bemachtigen. Het college heeft de verweten gedraging niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert.

4.5.

De rechtbank heeft wat in 4.4 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, bestond geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. Het besluit van 20 juli 2015 zal daarom worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 december 2015;

  • -

    herroept het besluit van 20 juli 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.006,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C.A.E. Bon

md