Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/1977 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant geen recht meer op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant heeft in de hoger beroepen geen nieuwe medische stukken overgelegd. Dat op de data in geding sprake zou zijn van toegenomen beperkingen of dat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellant, vindt geen bevestiging in de in de dossiers aanwezige en door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep inzichtelijk bij de beoordeling betrokken, medische informatie. Anders dan appellant in hoger beroep heeft gesteld, hebben de artsen van het Uwv wel degelijk rekening gehouden met wat de specialisten over hem hebben verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1977 ZW, 17/6566 ZW

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank [woonplaats] van

26 januari 2017, 16/4255 (aangevallen uitspraak 1) en 17 augustus 2017, 17/3360 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Singh, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 10 januari 2019. Voor

appellant is mr. Singh verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker/uitbener voor

ongeveer 36 uur per week. Op 29 juli 2013 heeft hij zich ziek gemeld wegens een

auto-ongeval. Nadien zijn nek- en schouderklachten ontstaan en heeft appellant ook psychische klachten gemeld. Zijn dienstverband is per 9 december 2014 wegens faillissement geëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2015 vastgesteld dat appellant per

28 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd met zijn beperkingen, als vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 maart 2015, niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als productiemedewerker/uitbener, maar wel tot het vervullen van de functies van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar

(SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en inpakker

(SBC-code 111190). Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 28 april 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 2 november 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met toegenomen klachten. In verband hiermee heeft hij op 22 januari 2016 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 26 januari 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functies van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar en inpakker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2016 vastgesteld dat appellant per 26 januari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 april 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

1.4.

De WW-uitkering van appellant is herleefd. Appellant heeft zich op 10 november 2016 opnieuw ziek gemeld met toegenomen klachten. Op 21 december 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts van het Uwv. De bedrijfsarts heeft appellant per

28 december 2016 geschikt geacht voor één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functie van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar. Bij besluit van 21 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 28 december 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 maart 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek dat aan bestreden besluit 1 ten grondslag ligt onzorgvuldig of onjuist te achten. Alle door appellant gestelde klachten, waaronder zijn psychische klachten, zijn bij de medische beoordeling betrokken. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de door appellant gestelde klachten van lichamelijke dan wel psychische aard op de datum in geding zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere EWZb, dat dit zou moeten leiden tot het aannemen van meer beperkingen en arbeidsongeschiktheid voor één van de eerder geduide functies. Voor de stelling dat er psychische beperkingen moeten worden aangenomen ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank de medische onderbouwing. De rechtbank acht hierbij van belang dat er tijdens het onderzoek geen sprake was van een intensieve behandeling voor de psychische klachten en dat appellant geen psychofarmaca gebruikte. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat ook de in beroep overgelegde medische stukken haar geen aanleiding hebben gegeven voor een ander oordeel. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 september 2016,

10 november 2016 en 1 december 2016, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom de medische stukken, waaronder het

MRI-onderzoek, haar geen aanleiding geven voor een wijziging van haar standpunt.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant op het arrest van het

Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek dat aan bestreden

besluit 2 ten grondslag ligt onzorgvuldig, onvolledig of onjuist te achten. De artsen van het Uwv hebben het dossier bestudeerd en lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de artsen blijkens hun rapportages alle door appellant naar voren gebrachte klachten bij hun beoordeling betrokken. Dat de artsen geen aanvullende informatie hebben opgevraagd, heeft de rechtbank aanvaardbaar geacht omdat in het dossier voldoende medische informatie aanwezig is om tot een gedegen oordeel te kunnen komen. Daarbij was appellant niet onder behandeling. De rechtbank heeft verder overwogen dat indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, de bestuursrechter moet waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ruimschoots de gelegenheid gehad om zelf medische gegevens te overleggen, en dit ook gedaan. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende gelegenheid gehad om in voldoende mate weerwoord te bieden aan wat de artsen van het Uwv hebben aangevoerd ter onderbouwing van bestreden besluit 2. Tot slot heeft de rechtbank overwogen geen aanknopingspunten te zien om het medisch oordeel in twijfel te trekken. De in het dossier aanwezige stukken zijn reeds bij de eerdere ZW-beoordeling betrokken. Hoewel de datum hier in geding 28 december 2016 betreft, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om in onderhavig zaak anders te oordelen dan zij in haar uitspraak van 26 januari 2017 heeft gedaan. Behoudens de in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 15 juni 2017, heeft appellant ten opzichte van de eerdere ZW-beoordeling geen nieuwe medische gegevens overgelegd. De huisarts benoemt slechts de klachten van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen medische objectiveerbare gegevens overgelegd op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ten opzichte van de FML van 12 maart 2015, verdergaande beperkingen had moeten aannemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige.

3.1.

Appellant heeft zich niet met de uitspraken van de rechtbank kunnen verenigen. In de hoger beroepen heeft appellant verzocht dat wat hij in de beroepen naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Samengevat heeft appellant in de hoger beroepen aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken 1 en 2 ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat hij volledig arbeidsgeschikt is. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met wat de specialisten over hem hebben verklaard. In alle rapporten van de onafhankelijke specialisten staat vermeld dat hij naast zijn psychische klachten ook last heeft van pijn in zijn schouder en nek, en dat hij tintelingen in zijn handen heeft. De door het Uwv geduide functies zijn arbeidsintensief en praktisch niet uitvoerbaar voor appellant wegens pijn en tintelingen. Ook psychisch gezien acht appellant zich niet in staat om acht uur per dag, vijf dagen in de week arbeid te verrichten. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van toegenomen klachten die deelname aan het arbeidsproces onmogelijk maken en ten onrechte geen deskundige benoemd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken.

4.2.

Wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd geeft geen reden om van de oordelen van de rechtbank, neergelegd in aangevallen uitspraken 1 en 2, af te wijken en de aan die oordelen ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. De rechtbank heeft in deze uitspraken de beroepsgronden van appellant voldoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen.

4.3.

Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd. Appellant heeft in de hoger beroepen geen nieuwe medische stukken overgelegd. Dat op de data in geding sprake zou zijn van toegenomen beperkingen of dat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellant, vindt geen bevestiging in de in de dossiers aanwezige en door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep inzichtelijk bij de beoordeling betrokken, medische informatie. Anders dan appellant in hoger beroep heeft gesteld, hebben de artsen van het Uwv wel degelijk rekening gehouden met wat de specialisten over hem hebben verklaard. In hun rapporten van 23 juni 2016, 5 september 2016, 10 november 2016,

1 december 2016 en 30 maart 2017 hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep afdoende gereageerd op de door appellant in bezwaar en beroep overgelegde medische informatie van de behandelend sector, waaronder informatie van de psycholoog, de huisarts en de neuroloog.

4.4.

Over de psychische klachten hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep zich op het standpunt gesteld dat er geen intensieve behandelingen zijn, dat appellant geen medicatie gebruikt, dat er bij eigen onderzoek geen ernstige psychopathologie is waargenomen, dan wel dat er geen sprake is van forse psychische problematiek. De door appellant geclaimde cognitieve klachten zijn nimmer bij onderzoek door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv geobjectiveerd. Uit de informatie van GZ-psycholoog drs. C. Sewpersad van 8 oktober 2015 blijkt dat bij appellant de diagnose PTSS met depressieve kenmerken is gesteld. Deze diagnose, welke niet door enig objectief psychologisch onderzoek is onderbouwd, levert volgens de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geen contra-indicatie voor inschakeling van arbeid. De geduide functies kennen volgens de verzekeringsartsen bezwaar en beroep nauwelijks psychische belasting. In haar rapport van 14 april 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat in de functies geen sprake is van sociale belasting of een groot appel op concentratievermogen en functies geen taken kennen die herbeleving kunnen doen triggeren.

4.5.

Over de lichamelijk klachten hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep het standpunt ingenomen en overtuigend onderbouwd dat er voor de diverse klachten nimmer een medisch substraat is gevonden en dat er geen reden is voor meer dan de aangenomen beperkingen. Voor de hand- en armklachten (tintelingen) heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals blijkt uit haar rapport van 23 juni 2016 geen afwijkingen kunnen vaststellen. Wat betreft de nek- en linkerschouderklachten hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geconcludeerd dat uit het MRI-onderzoek van 18 november 2015 blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een zenuwbeknelling. Er is sprake van slijtage van de halswervelkolom. Deze bij de leeftijd passende veroudering is volgens de verzekeringsartsen bezwaar en beroep geen reden om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de geduide functies nauwelijks zware fysieke belasting kennen. Het gaat om fysiek lichte werkzaamheden.

4.6.

Het ter zitting gedane verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van de bestreden besluiten door het Uwv met de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) is gezien het voorgaande overtuigend. Daarbij is de beschikbare informatie van de behandelend sector betrokken. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan, ontbreekt. Dit betekent dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 26 januari 2016 dan wel per 28 december 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op14 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.R. Trox

md