Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:49

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
16/2869 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding. Geen ontoelaatbare druk tijdens verhoren. Beroep op dringende redenen niet onderbouwd. Nieuwe aanvraag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2869 WWB, 17/202 PW, 17/207 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 11 april 2016, 15/2968 (aangevallen uitspraak 1), van 30 november 2016, 16/864

(aangevallen uitspraak 2), en van 30 november 2016, 16/866 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant in de zaken 16/2869 WWB en 17/207 PW)

[appellante] te [woonplaats 2] (appellante in zaak 17/202 PW)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak: 8 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 20 november 2018. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten

vertegenwoordigen door R. Ivanovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 oktober 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 21 augustus 2014 heeft het college een anonieme melding ontvangen. Appellant zou niet op het door hem opgegeven adres wonen, maar bij appellante, elders in de gemeente Roermond. Het college heeft appellant bij brief van 26 augustus 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 2 september 2014. Appellant is niet op het gesprek verschenen. Bij besluit van 2 september 2014 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 2 september 2014 opgeschort en appellant uitgenodigd voor een gesprek op

5 september 2014. Appellant is opnieuw niet verschenen. Vervolgens heeft het college bij besluit van 8 september 2014 de bijstand van appellant met ingang van 2 september 2014 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2014 bij besluit van 22 januari 2015 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 10 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1668, de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van appellant tegen het besluit van 22 januari 2015 ongegrond is verklaard, bevestigd.

1.3.

Naar aanleiding van de in 1.2 genoemde anonieme melding heeft de sociale recherche van de gemeente Roermond (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche - onder meer - dossieronderzoek gedaan, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek observaties verricht, de woningen van appellant en appellante doorzocht en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 juli 2015.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 4 augustus 2006 in te trekken. Aan de besluitvorming ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voerde op het adres van appellante. Appellant is geen zelfstandig subject van bijstand.

1.5.

Bij besluit van 3 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de over de periode van 4 augustus 2006 tot

2 september 2014 (periode in geding) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 114.718,63 van appellant teruggevorderd en dat bedrag mede van appellante teruggevorderd.

1.6.

Op 16 oktober 2014 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 3 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2015 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant geen hoofdverblijf heeft op het door hem bij de aanvraag opgegeven adres, maar dat hij op het adres van appellante een gezamenlijke huishouding voert. Appellant is geen zelfstandig subject van bijstand.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen

bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat alleen appellante beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 2.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 3 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben op 20 november 2018, de ochtend van de zitting, om 11.16 uur door middel van een faxbericht van hun gemachtigde meegedeeld dat noch zij noch hun gemachtigde ter zitting zullen verschijnen. Bij dat bericht heeft de gemachtigde van appellanten pleitnotities gevoegd. De Raad laat die pleitnotities, omdat zij op een zeer laat tijdstip zijn ingediend, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Intrekking (zaak 17/207 PW)

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek, zoals de sociale recherche dat heeft uitgevoerd, onrechtmatig is. Daartoe voert hij aan dat het verhoor van appellante niet rechtmatig is geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat appellante haar verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd, dat de verklaring in essentie geen juiste weergave bevat van wat zij tegenover de sociale recherche heeft verklaard of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft appellant niet nader geconcretiseerd en daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.3.

Appellant voert verder aan dat zijn gedragingen hem vanwege de bij hem aanwezige dwangstoornis niet kunnen worden verweten. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, alleen al omdat uit de door appellant afgelegde verklaring bij de sociale recherche blijkt dat hij een en ander bewust niet heeft gemeld om zijn bijstand niet in gevaar te brengen.

4.4.

De door appellant in het hoger beroep betreffende de intrekking aangevoerde beroepsgronden die zien op de terugvordering behoeven geen bespreking. De terugvordering van kosten van bijstand van appellant ligt in hoger beroep niet voor. Zoals de rechtbank in aangevallen uitspraak 3 terecht heeft overwogen, heeft alleen appellante beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2.

Medeterugvordering (zaak 17/202 PW)

4.5.

Artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet (PW) bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de PW niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellante hier die persoon is, is vereist dat zij in de te beoordelen periode met appellant een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB op haar adres heeft gevoerd.

4.6.

Ook appellante voert aan dat het onderzoek dat de sociale recherche heeft verricht onrechtmatig is omdat het verhoor van haar niet rechtmatig is. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad volstaat hier met een verwijzing naar 4.2.

4.7.

Appellante voert verder aan dat zij al jaren lijdt aan een dwangstoornis en dat zij nooit de intentie heeft gehad om de inlichtingenverplichting te schenden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het was appellant die bijstand ontving en op wie de inlichtingenverplichting rustte. Die verplichting rustte niet op appellante. Of appellante een verwijt kan worden gemaakt, is voor het antwoord op de vraag of de kosten van bijstand ook van haar kunnen worden teruggevorderd niet van belang. Daarvoor is alleen van belang of appellante de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Dat is het geval, nu niet in geschil is dat zij en appellant in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden.

4.8.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat er dringende en zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zijn om van terug- en invordering af te zien, omdat zij niet over een inkomen of vermogen beschikt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, nu zij deze niet heeft onderbouwd. Van belang is verder in dit verband dat appellante bij de tenuitvoerlegging van de medeterugvordering de bescherming heeft van de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Aanvraag (zaak 16/2869 PW)

4.9.

Appellant heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat zowel het college als de rechtbank ten onrechte hebben aangenomen dat sprake is van vermogen boven het voor appellant geldende vrij te laten vermogen. Deze beroepsgrond behoeft geen bespreking. Appellant gaat er immers aan voorbij dat bestreden besluit 3 mede berust op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden met betrekking tot zijn hoofdverblijf en het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellante en dat appellant geen zelfstandig subject van bijstand is. Daartegen heeft appellant geen beroepsgronden aangevoerd.

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en P.W. van Straalen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

md