Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
16/6144 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering pgb. Gewaarborgde hulp. Gedragslijn van zorgkantoor dat gewaarborgde hulp voor maximaal drie budgethouders mag optreden. Uit wat is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat het zorgkantoor de verlening van een pgb aan appellant niet heeft kunnen weigeren vanwege het feit dat hij gebruik zou maken van [naam hulp 2] als gewaarborgde hulp. ... De Raad volstaat hiermee, omdat het zorgkantoor appellant op 3 januari 2017 met ingang van 26 januari 2016 alsnog een pgb heeft verleend en over de financiële afwikkeling daarvan tussen partijen geen geschil bestaat. De Raad gaat er overigens vanuit dat het zorgkantoor ook voor de jaren na 2016 bij zijn besluitvorming omtrent de verlening van een pgb aan appellant rekening houdt met hetgeen in deze uitspraak omtrent [naam hulp 2] is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/117 met annotatie van M.F. Vermaat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6144 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 19 september 2016, 16/4278 en 16/4279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 13 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Cortet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Cortet. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Hovens‑Moghtader en F.J.M. Leenders. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Cortet, zijn vader [naam vader appellant], zijn huidige gewaarborgde hulp [naam hulp 1] en H.B. Bounaija als tolk. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hovens‑Moghtader en Leenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1998, heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Appellant heeft op 12 maart 2016 bij het zorgkantoor een aanvraag gedaan voor een persoonsgebonden budget (pgb). Bij deze aanvraag heeft appellant een Formulier Wettelijk vertegenwoordiger of gewaarborgde hulp gevoegd, waarin is verklaard dat [naam hulp 2] de gewaarborgde hulp van appellant is.

1.2.

Bij besluit van 7 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor de verlening van het pgb geweigerd. Het zorgkantoor heeft daartoe overwogen dat [naam hulp 2] onvoldoende kennis heeft van een

Wlz-pgb. Voorts heeft het zorgkantoor erop gewezen dat [naam hulp 2] reeds in zes andere zaken als gewaarborgde hulp optreedt en dat het zorgkantoor de vaste gedragslijn hanteert dat iemand voor maximaal drie budgethouders de gewaarborgde hulp mag zijn. Dit betekent dat [naam hulp 2] niet als gewaarborgde hulp kan worden aanvaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Volgens de voorzieningenrechter heeft het zorgkantoor zich, gelet op de e-mailwisseling van 28 juni 2016 tussen het zorgkantoor en de gemachtigde van appellant, op het standpunt kunnen stellen dat de gewaarborgde hulp onvoldoende op de hoogte is van wat Wlz-zorg is. De voorzieningenrechter heeft verder geoordeeld dat het stellen van een grens van maximaal drie budgethouders per gewaarborgde hulp een geschikt middel is om te bewerkstelligen dat de gewaarborgde hulp de budgethouder op een adequate manier kan bijstaan.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het zorgkantoor ten onrechte als vaste gedragslijn hanteert dat een gewaarborgde hulp maximaal drie budgethouders mag bijstaan. Hij wijst er op dat [naam hulp 2] in andere zaken nog wel als gewaarborgde hulp is aanvaard. Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het zorgkantoor en de rechtbank ten onrechte ervan uitgaan dat [naam hulp 2] niet over de voor verlening van een Wlz-pgb benodigde kennis beschikt.

3.2.

Het zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van deze zaak. Appellant heeft in de persoon van [naam hulp 1] reeds een andere gewaarborgde hulp en het zorgkantoor heeft hem daarom bij besluit van

3 januari 2017 met ingang van 26 januari 2016 alsnog een pgb verleend. Voor het geval wel procesbelang wordt aangenomen, heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om een pgb kon worden afgewezen, omdat [naam hulp 2] niet als gewaarborgde hulp kan worden aanvaard. Eventuele fouten in het verleden hoeven niet herhaald te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874, is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of [naam hulp 2] als zogenoemde gewaarborgde hulp voor appellant kan functioneren. Bij beantwoording van deze vraag heeft appellant gelet op de tussen partijen nog bestaande relatie belang. Bij de jaarlijkse besluitvorming rondom de verlening van een pgb zal immers steeds aan de orde kunnen zijn of [naam hulp 2] als gewaarborgde hulp kan worden geaccepteerd. Dat in 2016 door appellant – noodgedwongen –van een andere gewaarborgde hulp gebruik is gemaakt, maakt dit niet anders.

4.3.

De beroepsgrond van appellant dat het zorgkantoor zich niet, onder verwijzing naar zijn (vermeende) vaste gedragslijn, op het standpunt heeft kunnen stellen dat [naam hulp 2] niet als gewaarborgde hulp kan worden aanvaard, slaagt. Het zorgkantoor heeft niet kunnen motiveren of anderszins kunnen verklaren hoe tot de inhoud van deze gedragslijn is gekomen en waarom per gewaarborgde hulp maximaal drie budgethouders mogelijk zijn. Gelet op de beperkte rol van een gewaarborgde hulp en de tijdsbesteding die dit naar verwachting zal meebrengen kan deze maximering, die naar ter zitting is gebleken bovendien niet geldt voor professionals zoals bewindvoerders en curatoren, niet worden gevolgd. Het college heeft daarom bij het bestreden besluit [naam hulp 2] niet als gewaarborgde hulp kunnen weigeren, enkel omdat hij al de gewaarborgde hulp was van (meer dan) drie andere budgethouders.

4.4.

De Raad is voorts van oordeel dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt dat [naam hulp 2] onvoldoende kennis heeft van een Wlz-pgb. De e-mail van 28 juni 2016 waarop de voorzieningenrechter zich baseert is niet afkomstig van [naam hulp 2] maar van de gemachtigde van appellant. In deze e-mail heeft de gemachtigde van appellant uiteengezet op welke manier [naam hulp 2] zijn taak als gewaarborgde hulp zal uitoefenen en is geen informatie verstrekt over de door de zorgverlener feitelijk verleende zorg. De voorzieningenrechter is er in navolging van het zorgkantoor ten onrechte zonder meer vanuit gegaan dat begeleiding bij het tot stand brengen van arbeidsovereenkomsten ziet op arbeidsintegratie van appellant en heeft niet onderkend dat het zou kunnen gaan om begeleiding van de gewaarborgde hulp bij het tot stand brengen van zorgovereenkomsten. Kortom, uit deze e-mail kan niet geconcludeerd worden dat [naam hulp 2] onvoldoende kennis van zaken heeft. Ook uit het Bewust Keuze Gesprek van 20 april 2016 met [naam hulp 2], waarnaar het zorgkantoor ter zitting heeft verwezen, kan deze conclusie niet worden getrokken. Daarvoor is het verslag dat van dit gesprek is gemaakt te summier.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat het zorgkantoor de verlening van een pgb aan appellant niet heeft kunnen weigeren vanwege het feit dat hij gebruik zou maken van [naam hulp 2] als gewaarborgde hulp. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het besluit van 7 juni 2016 herroepen. De Raad volstaat hiermee, omdat het zorgkantoor appellant op 3 januari 2017 met ingang van 26 januari 2016 alsnog een pgb heeft verleend en over de financiële afwikkeling daarvan tussen partijen geen geschil bestaat. De Raad gaat er overigens vanuit dat het zorgkantoor ook voor de jaren na 2016 bij zijn besluitvorming omtrent de verlening van een pgb aan appellant rekening houdt met hetgeen in deze uitspraak omtrent [naam hulp 2] is overwogen.

5. Aanleiding bestaat het zorgkantoor te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, op € 1.024,- in beroep en op € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.328,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juli 2016;

  • -

    herroept het besluit van 7 juni 2016;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 11 juli 2016;

  • -

    veroordeelt het zorgkantoor in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.328,-;

  • -

    bepaalt dat het zorgkantoor aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) H. Achtot

LO