Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
16/7621 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting ZW-uitkering. Belanghebbende werkgever. Gelet op de in 4.1 genoemde motiveringsplicht en gelet op wat in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen, wordt geoordeeld dat de verwijzing door het Uwv naar de in beroep opgestelde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv als nadere motivering voor het bestreden besluit niet volstaat. Dit leidt tot de conclusie dat de voortzetting van het recht op ziekengeld per 20 juli 2015 niet wordt gedragen door een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Instandlating rechtsgevolgen. Verbetering gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7621 ZW

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 november 2016, 16/1372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam stichting] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.J.A. Klijn, verzekeringsarts, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Klijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

[naam werkneemster] (werkneemster) is bij appellante in dienst geweest als hartfunctie laborante voor 15,86 uur per week. Op 21 juli 2014 heeft werkneemster zich ziek gemeld met rechterschouder- en nekklachten. Op 8 december 2014 heeft zij ontslag genomen. Het Uwv heeft werkneemster per die datum in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts werkneemster op 8 juni 2015 gezien. Deze arts heeft werkneemster belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juni 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat werkneemster niet in staat is haar eigen werk van hartfunctie laborante te verrichten en dat onvoldoende functies kunnen worden geselecteerd die passen bij haar belastbaarheid en die een loonverlies opleveren van maximaal 35%. Het Uwv heeft bij besluit van 24 juni 2015 vastgesteld dat werkneemster met ingang van 20 juli 2015 ongewijzigd recht heeft op ziekengeld, omdat zij minder dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

22 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 29 oktober 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, inclusief een gewijzigde FML, en van 18 februari 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd, dat het bestreden besluit niet berustte op een deugdelijke motivering voor de aangenomen beperkingen op zitten, lopen en staan. Met de aanvullende rapporten van 18 juli 2016 en 22 september 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is alsnog een dragende motivering gegeven. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich heeft gebaseerd op informatie van de behandelend fysiotherapeut en de consistentie en het verleden van de klachten van werkneemster. De rechtbank heeft het standpunt van appellante, dat meer waarde moet worden toegekend aan de informatie van haar orthopedisch chirurg dan aan de informatie van de behandelend fysiotherapeut, niet gevolgd. Dat de informatie van de orthopedisch chirurg niets vermeldt over een geschiedenis van lage rugklachten en degeneratieve afwijkingen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan de informatie van de fysiotherapeut geen waarde toekomt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de informatie van de orthopedisch chirurg ziet op een ander onderwerp dan de informatie van de fysiotherapeut.

3.1.

Appellante is in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarbij in stand heeft gelaten. Zij heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een deugdelijke motivering heeft gegeven voor de beperkingen op de aspecten zitten, lopen en staan. Er is volgens appellante slechts sprake geweest van vrije interpretatie van informatie van de behandeld fysiotherapeut en dat is onvoldoende. Appellante heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschillen over de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat in het geval dat een belanghebbende werkgever de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292). Zoals eerder overwogen (zie de uitspraak van

21 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4933) is er geen aanleiding in een ZW-geschil als hier aan de orde anders te oordelen.

4.2.

In artikel 30b, eerste lid, van de ZW is bepaald dat de intrekking of verlaging van een ZW-uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt of de uitspraak is gedaan. Gelet op deze bepaling en de inmiddels verstreken tijd kan het hoger beroep van appellante niet meer leiden tot beëindiging van het ziekengeld (zie de uitspraak van de Raad van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4860).

4.3.

Dit laat onverlet, dat in een situatie waarin te lang ziekengeld is verstrekt, sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het Uwv jegens de (ex-)werkgever. Gelet hierop is het mogelijk dat in deze procedure een oordeel wordt gegeven over de zorgvuldigheid waarmee de beslissing tot voortzetting van de ZW-uitkering is voorbereid en de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd.

4.4.

Geoordeeld wordt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit op onjuiste gronden in stand heeft gelaten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Werkneemster heeft bij haar ziekmelding, op een spreekuur van 19 januari 2015 en op het spreekuur van de verzekeringsarts niets over rugklachten verklaard. Op het spreekuur van

19 januari 2015 heeft zij uitsluitend over haar schouderklachten verteld. De verzekeringsarts heeft onder “belastbaarheid” geen beperkingen voor zitten, lopen en staan opgenomen. In de brief van 23 september 2014 van de behandelend orthopedisch chirurg zijn alleen nekklachten besproken. Interventies hebben niet plaatsgevonden. Over de voorgeschiedenis is alleen melding gemaakt van een rechterschouderoperatie. In de brief van 14 augustus 2014 van een radioloog wordt ook alleen de discopathie op C5-C6 in de nek genoemd.

4.6.

De fysiotherapeut heeft een beknopte weergave van de voorgeschiedenis opgenomen in zijn brief van 6 mei 2015 en heeft daarbij geen rugklachten vermeld. Dat hij in zijn samenvatting onder meer heeft vermeld dat werkneemster een geschiedenis van rugpijn heeft, strookt niet met deze beknopte weergave. De fysiotherapeut heeft verder gezegd dat al in het verleden degeneratieve veranderingen in de wervelkolom zijn vastgesteld en pijnblokkades hierbij in het verleden een goed resultaat gaven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn in beroep overgelegde rapport van 18 juli 2016 naar aanleiding van deze informatie van de fysiotherapeut geconcludeerd dat niet duidelijk is op welk niveau de degeneratieve veranderingen in de wervelkolom zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is er vervolgens zonder nadere toelichting van uitgegaan dat dit veranderingen op thoracaal of lumbaal niveau moeten zijn. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover terecht een vraag gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 september 2016 nader toegelicht dat, als slechts sprake zou zijn van vastgestelde degeneratieve afwijkingen van de CWK, het de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan lijkt dat de fysiotherapeut dat ook specifiek had aangegeven. Dit is echter slechts een aanname van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, terwijl geenszins vaststaat dat de fysiotherapeut heeft gedoeld op andere degeneratieve veranderingen dan de degeneratieve veranderingen in de CWK (mid-cervicaal). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich verder gebaseerd op door hem aangenomen consistentie van de door werkneemster ervaren klachten. Dat die klachten consistent zijn, anders dan wat betreft de schouder- en nekklachten, vindt echter geen steun in de stukken. Appellante heeft er voorts terecht op gewezen, dat na het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 31 december 2015 onder meer is gerapporteerd: “wervelkolom recht, antiflexie vlot 90 graden. Deflexie vlot. Hurken en tenen opkomen vlot. Hakken/ tenen lopen g.b.”, onder heroverweging, beschouwing is verwoord: “Bij onderzoek is de rug vlot en volledig mobiel”. De rechtbank wordt daarom niet gevolgd in het oordeel dat het Uwv met de aanvullende rapporten van

18 juli 2016 en 22 september 2016 voldoende heeft gemotiveerd dat de beperkingen op de items zitten, lopen en staan niet overschat zijn.

4.7.

Dat de fysiotherapeut in zijn brief te kennen heeft gegeven dat volgens hem sprake is van een sterk beperkte belastbaarheid op zitten en staan, leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 juli 2016 immers gesteld dat, als alleen sprake zou zijn van degeneratieve veranderingen van de CWK de stand en houding van de gehele wervelkolom en daarbij betrokken spieren bij zitten en staan maar ook bij lopen negatief beïnvloed kunnen worden, maar doorgaans niet in die mate dat conform de CBBS-instructie normale belasting bij genoemde activiteiten niet mogelijk is, tenzij sprake is van uitgebreide (onder meer op meerdere cervicale niveaus), ernstige degeneratieve afwijkingen van de CWK.

4.8.

Gelet op de in 4.1 genoemde motiveringsplicht en gelet op wat in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen, wordt geoordeeld dat de verwijzing door het Uwv naar de in beroep opgestelde rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv als nadere motivering voor het bestreden besluit niet volstaat. Dit leidt tot de conclusie dat de voortzetting van het recht op ziekengeld per 20 juli 2015 niet wordt gedragen door een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb.

5. Gelet op wat onder 4.2 is overwogen, blijven, op geheel andere gronden dan de rechtbank heeft geoordeeld, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd met verbetering van gronden.

6. Omdat appellante wordt gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een deugdelijke motivering heeft gegeven voor de beperkingen op de aspecten zitten, lopen en staan, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op een bedrag van € 1.024,- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 503,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 503,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) L. Boersma

md