Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
18/2026 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door het college bij het bestreden besluit toegekende kostenvergoeding op juiste gronden berust. Ten aanzien van de gehanteerde wegingsfactor is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de zaak van gemiddeld gewicht is, zodat het college wegingsfactor één heeft kunnen toepassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2026 WMO

Datum uitspraak: 30 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 maart 2018, 16/3066 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder] , heeft mr. H.B. Frenken hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 november 2018 heeft de Raad aan appellant te kennen gegeven dat hij vooralsnog geen reden ziet om de door hem genoemde persoon als getuige op te roepen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Namens appellant is

mr. Frenken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. R.L. Poot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:616) heeft de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan appellant, geboren in 2004, een woonvoorziening toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) van € 140.498,21.

1.2.

Bij besluit van 29 april 2016 heeft het college bepaald dat voor deze voorziening een eigen bijdrage verschuldigd is en vermeld welke regels gelden bij de verstrekking van het pgb.

1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2016 gegrond verklaard en onder meer bepaald dat geen eigen bijdrage verschuldigd is. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is een bedrag van € 992,- (twee punten, wegingsfactor één) toegekend voor de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep onvolledig heeft behandeld en dat de aangevallen uitspraak zowel formeel- als materieelrechtelijk onjuist is. Appellant heeft daartoe onder meer en kort samengevat aangevoerd dat de rechtbank vooringenomen was nu zij de onderhavige zaak feitelijk gevoegd heeft behandeld met de zaak die bij de rechtbank bekend staat onder nummer 16/3065. Verder heeft de rechtbank volgens appellant niet alle beroepsgronden (voldoende) besproken en heeft zij ten onrechte de bij het bestreden besluit toegekende kostenvergoeding in stand gelaten. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat hij recht heeft op schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft verzocht om de voorzitter van de kamer van de rechtbank die de aangevallen uitspraak heeft gedaan als getuige op te roepen om uitleg te geven over de gang van zaken, zowel materieel- als formeelrechtelijk. Dit verzoek is op 19 november 2018 vooralsnog afgewezen. Appellant heeft zijn verzoek niet nader toegelicht. Omdat de Raad niet inziet dat de verklaring van de voorzitter noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten wordt dit verzoek definitief afgewezen.

4.2.

Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat de rechtbank vooringenomen was. De rechtbank heeft de onderhavige zaak niet met toepassing van artikel 8:14 van de Awb gevoegd behandeld met de zaak die bij de rechtbank bekend staat onder nummer 16/3065. Uit de omstandigheid dat de rechtbank deze zaken in dezelfde samenstelling, onder leiding van dezelfde voorzitter en op dezelfde dag heeft behandeld, kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is geweest van vooringenomenheid.

4.3.

Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet alle beroepsgronden heeft behandeld, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. Ook de Raad beperkt zich tot de kern van de gronden die appellant naar voren heeft gebracht.

4.4.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door het college bij het bestreden besluit toegekende kostenvergoeding op juiste gronden berust. Uit artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Bpb en de daarbij behorende bijlage onder A5 volgt dat twee punten kunnen worden toegekend, één voor het indienen van bezwaar en één voor het verschijnen bij de hoorzitting. Er is sprake van een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen en de overige door appellant genoemde (proces)handelingen, die onder meer zijn verricht in het kader van klachtprocedures en de procedure bij het CAK, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze handelingen komen niet voor als proceshandelingen genoemd in de bijlage bij het Bpb, of behoren tot andere procedures. Ten aanzien van de gehanteerde wegingsfactor is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de zaak van gemiddeld gewicht is, zodat het college wegingsfactor één heeft kunnen toepassen. Het standpunt van appellant dat sprake is van voortzetting van de zaak die heeft geleid tot de hiervoor onder 1.1 genoemde uitspraak van 24 februari 2016 en dat daarom net als in die uitspraak moet worden uitgegaan van wegingsfactor 1,5, volgt de Raad niet.

4.5.

In wat appellant verder nog heeft aangevoerd, ziet de Raad ook geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.6.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd en dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ