Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
18/2401 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om toekenning Arrangement C. Verzoek om ontslag. Vergewisplicht. Anders dan appellante betoogt, bevat de onder 1.8 weergegeven e-mail van appellante van 18 januari 2016 geen verzoek om intrekking van het ontslag. Wel had deze e-mail voor de minister, op grond van de in artikel 125ter van de Ambtenarenwet genoemde verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, aanleiding moeten zijn om, alvorens op de aanvragen te beslissen, zich ervan te vergewissen of appellante zich ten volle bewust was van haar (rechts)positie, of zij haar aanvragen wenste te handhaven en of zij voldoende gelegenheid heeft gehad tot een afgewogen beslissing te komen. Dit is vooral van belang nu het hier om een zeer belangrijke rechtspositionele aangelegenheid gaat, de grond aan het ontslagverzoek als gevolg van het niet of voorlopig niet doorgaan van de nieuwe baan leek te zijn ontvallen en appellante stelde ten einde raad te zijn en niet meer te weten wat ze moest doen. Het is duidelijk dat de minister met de onder 1.9 vermelde e-mail van de leidinggevende van 19 januari 2016 niet aan de hiervoor bedoelde vergewisplicht heeft voldaan. Dit brengt tevens mee dat de Raad zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat, nu appellante niet meer heeft gereageerd op de e-mail van 19 januari 2016, het gegeven dat de leidinggevende niet heeft begrepen dat appellante haar aanvragen wilde intrekken, voor rekening en risico van appellante dient te blijven. De conclusie is dat de minister bij de besluiten van 11 en 12 februari 2016 ten onrechte de aanvragen heeft ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/117
NJB 2019/496
TAR 2019/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2401 AW

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
23 maart 2018, 16/4298 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Justitie en Veiligheid, voorheen de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Prins. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.H.J.M. IJzenbrandt-van Dartel, C.J. Poel en E. Vermeulen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in de substantieel bezwarende functie (SB-functie) van penitentiair inrichtingswerker (Salarisschaal 6) in de Penitentiaire Inrichting (PI) [vestigingsplaats PI].

1.2.

Met ingang van 24 augustus 2015 is aan appellante voor drie maanden onbetaald verlof verleend in verband met de zorg voor de vader van haar kinderen en om te kijken naar mogelijkheden voor werk buiten de DJI.

1.3.

Bij e-mail van 10 november 2015 heeft appellante haar leidinggevende en de HR-adviseur bericht dat haar besluit over te stappen rond is en dat ze bij [plaatsnaam] in [gemeente] gaat werken, waar ze jongeren gaat begeleiden die zelfstandig gaan wonen.

1.4.

Op 19 november 2015 heeft appellante een aanvraag gedaan om toekenning van

arrangement C, betreffende een loopbaanpremie, op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet SB-functie (Tijdelijke regeling). In een bijbehorende verklaring heeft appellante onder meer te kennen gegeven dat zij vrijwillig deelneemt aan de Tijdelijke regeling en een eventueel ontslagverzoek op vrijwillige basis is. Op diezelfde dag heeft appellante tevens verzocht haar ontslag te verlenen per 25 november 2015, waarbij zij heeft vermeld dat zij per die datum gebruik zal maken van voornoemd arrangement C.

1.5.

Op 24 november 2015 heeft de plaatsvervangend directeur van de PI [vestigingsplaats PI] het ontslagverzoek van appellante van een akkoord voorzien.

1.6.

Op 1 december 2015 heeft het Loket VWNW/SBF appellante een ontvangstbevestiging van haar aanvraag om toekenning van arrangement C gestuurd en haar gevraagd de aanvraag te complementeren met enkele ontbrekende documenten. Bij brief van 29 december 2015 is aan appellante een rappel gestuurd, teneinde haar aanvraag in behandeling te kunnen nemen. De HR-Adviseur heeft, na uitblijven van een reactie van appellante, de ontbrekende stukken uiteindelijk zelf aangevuld.

1.7.

Bij e-mail van 7 januari 2016 heeft de leidinggevende appellante gevraagd om haar ontslag in te dienen in P-Direkt. Toen deze registratie door appellante uitbleef, heeft deze leidinggevende zelf het ontslag op 14 januari 2016 in P-Direkt laten verwerken.

1.8.

Bij e-mail van 18 januari 2016 heeft appellante haar leidinggevende en de HR-adviseur het volgende bericht:
“Maandag jl. is mij meegedeeld door betrokkenen dat de project wat net gestart is voorlopig niet doorgaat. Ik ben momenteel ten einde raad heb mij behoorlijk ingezet naar tevredenheid van een ieder en nu dit. Dat ik niet gelijk maandag contact heb opgenomen met jou is dat ik er echt doorheen zit en niet snap dat men dit zomaar kan doen en even niet meer weet wat ik nu moet. De reden dat ze het stopzetten is, dat de persoon die de leiding had zich heeft teruggetrokken en de 2e leidinggevende was Frank, en ook hij gaat/kan niet verder om medische redenen, wat maakt dat betrokkenen het op dit moment hebben geparkeerd omdat ze het te gecompliceerd en kostbaar vinden om nu in een korte tijdsbestek andere mensen moeten gaan zoeken en de jongeren al die tijd in onzekerheid te moeten laten. Dit is het verhaal in het kort, ik weet nu even niet meer wat ik moet doen.”

1.9.

Op 19 januari 2016 heeft haar leidinggevende per e-mail gereageerd. In de
e-mail heeft hij te kennen gegeven dat hij op dit moment geen idee heeft wat hij daarop moet zeggen, alleen dat hij het verschrikkelijk voor haar vindt, dat hij hoopt dat er toch nog een oplossing kan worden gevonden met deze werkgever, dat appellante niet achterover moet leunen en alle middelen moet aangrijpen om er met de nieuwe werkgever uit te komen, dat hij eventuele andere oplossingen op dit moment niet voor handen heeft en dat hij de directie op de hoogte heeft gebracht van deze ontwikkeling.

1.10.

Bij besluit van 11 februari 2016 heeft de minister, met verwijzing naar een aanvraag van appellante van 27 januari 2016, aan appellante arrangement C van de Tijdelijke regeling toegekend.

1.11.

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft de minister, met verwijzing naar een verzoek van appellante van 14 januari 2016, aan appellante met ingang van 25 november 2015 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

1.12.

Op 16 maart 2016 heeft mr. Prins namens appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 11 en 12 februari 2016.

1.13.

Bij besluit van 23 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 11 en 12 februari 2016 ongegrond verklaard. Anders dan de Adviescommissie bezwaarschriften in haar advies, is de minister van opvatting dat de e-mail van appellante van 18 januari 2016 niet dient te worden beschouwd als een verzoek om terug te komen van het ontslagverzoek en als een intrekking van het ontslagverzoek. Appellante heeft in die e-mail slechts te kennen gegeven dat het project waar zij aan zou deelnemen voorlopig niet doorgaat. Nu appellante het ontslagverzoek niet heeft ingetrokken, is de loopbaanpremie terecht toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. De rechtbank heeft in de e-mail van 18 januari 2016 aan haar leidinggevende ten onrechte geen verzoek om intrekking van het ontslag gelezen. In de e-mail is letterlijk vermeld dat het project niet doorgaat, dat zij er echt doorheen zit, niet meer weet wat zij moet doen en ten einde raad is. De rechtbank ziet over het hoofd dat in de besluiten van 11 en 12 februari 2016 wordt verwezen naar voor appellante onbekende aanvragen van
14 januari 2016 onderscheidenlijk 27 januari 2016. Het is uiterst bedenkelijk dat het ministerie eigenhandig de aanvragen heeft gecompleteerd, zoals ook de Adviescommissie bezwaarschriften heeft geoordeeld. Niet begrijpelijk is dat de rechtbank heeft overwogen dat appellante met de e-mail van 18 januari 2016 niet te kennen heeft gegeven terug te komen van haar ontslagwens en dat de minister naar aanleiding van het niet aanleveren van stukken en de e-mails van appellante niet als goed werkgever had moeten onderzoeken of zij terug wilde komen op de ontslagaanvraag en haar aanvraag om toekenning van arrangement C.

3.2.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd dat appellante met de
e-mail van 18 januari 2016 haar ontslagverzoek niet heeft ingetrokken en appellante niet eerder dan met haar bezwaarschrift van 16 maart 2016 heeft gesteld dat zij het ontslagverzoek van 19 november 2015 wilde intrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop gesteld moet worden dat appellante op 19 november 2015 een ontslagaanvraag en een aanvraag om toekenning van arrangement C op grond van de Tijdelijke regeling heeft ingediend. In de besluiten van 11 februari 2016 en 12 februari 2016 is ten onrechte
27 januari 2016 onderscheidenlijk 14 januari 2016 als aanvraagdatum genoemd. Op laatstgenoemde dagen zijn de aanvragen in P-Direkt verwerkt. Dit doet echter niet af aan het feit dat appellante haar aanvragen reeds op 19 november 2015 heeft ingediend.

4.2.

Anders dan appellante betoogt, bevat de onder 1.8 weergegeven e-mail van appellante van 18 januari 2016 geen verzoek om intrekking van het ontslag. Wel had deze
e-mail voor de minister, op grond van de in artikel 125ter van de Ambtenarenwet genoemde verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, aanleiding moeten zijn om, alvorens op de aanvragen te beslissen, zich ervan te vergewissen of appellante zich ten volle bewust was van haar (rechts)positie, of zij haar aanvragen wenste te handhaven en of zij voldoende gelegenheid heeft gehad tot een afgewogen beslissing te komen. Dit is vooral van belang nu het hier om een zeer belangrijke rechtspositionele aangelegenheid gaat, de grond aan het ontslagverzoek als gevolg van het niet of voorlopig niet doorgaan van de nieuwe baan leek te zijn ontvallen en appellante stelde ten einde raad te zijn en niet meer te weten wat ze moest doen. Het is duidelijk dat de minister met de onder 1.9 vermelde e-mail van de leidinggevende van 19 januari 2016 niet aan de hiervoor bedoelde vergewisplicht heeft voldaan. Dit brengt tevens mee dat de Raad zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat, nu appellante niet meer heeft gereageerd op de e-mail van 19 januari 2016, het gegeven dat de leidinggevende niet heeft begrepen dat appellante haar aanvragen wilde intrekken, voor rekening en risico van appellante dient te blijven. De conclusie is dat de minister bij de besluiten van 11 en 12 februari 2016 ten onrechte de aanvragen heeft ingewilligd.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu uit het vervolg van de procedure duidelijk is geworden dat appellante van haar aanvragen wilde terugkomen, zal de Raad de besluiten van 11 en 12 februari 2016 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep alsmede in de treinkosten van appellante voor de hoorzitting en zittingen van de rechtbank en de Raad. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep. De treinkosten worden begroot op in totaal € 99,60. Het totale bedrag van de kostenveroordeling bedraagt aldus € 3.171,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 augustus 2016;

- herroept de besluiten van 11 februari 2016 en 12 februari 2016 en bepaalt dat deze uitspraak
in de plaats treedt van het besluit van 23 augustus 2016;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.171,60;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 421,00 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2019.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.H.H. Slaats

md