Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/2744 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. Omdat er parttime functies zijn geselecteerd, kan de behandeling (zoveel mogelijk) buiten de arbeidsuren plaatsvinden. Appellante heeft geen stukken van behandelaars overgelegd waaruit verminderde beschikbaarheid blijkt. Ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die tot een ander oordeel kunnen leiden dan de rechtbank heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2744 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 maart 2017, 16/6362 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Voor appellante is

mr. Van Heijningen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als receptioniste voor ongeveer 24 uur per week. Op 10 september 2012 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Haar dienstverband is per 1 maart 2013 beëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 5 augustus 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 8 september 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen, als vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2014, niet meer geschikt geacht voor haar eigen werk als receptioniste, maar werd in staat geacht de functies van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) en machinebediende inpak/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) uit te oefenen. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend. Aansluitend is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) verstrekt. Vanuit die situatie heeft appellante zich op 20 november 2014 ziek gemeld wegens gynaecologische klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld.

1.3.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 3 augustus 2016 gezien. Deze arts heeft appellante weer belastbaar geacht conform de FML van 23 juli 2014 en geschikt geacht voor de in 1.2 genoemde functies. Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 3 augustus 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en is er geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat haar beperkingen zijn onderschat en zij de geduide functies niet kan verrichten. Haar psychische beperkingen zijn niet afgenomen en de behandeling van twee jaar heeft nimmer een beoogd resultaat bereikt. Ze kan niets alleen doen, ook niet reizen. In de FML is bij de urenbeperking geen rekening gehouden met de wekelijkse behandeling die ze heeft voor haar psychische klachten. Ten onrechte heeft het Uwv nagelaten nieuwe medisch informatie op te vragen bij de behandelend sector, waardoor het besluit op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Appellante is nog steeds onder behandeling voor haar psychische problemen die ten tijde in geding aanwezig waren.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak wordt onder zijn arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door tenminste één van de geselecteerde functies. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv. Wat betreft de grond van appellante dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de behandelend sector wijst de rechtbank er terecht op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel, dat raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie in te winnen.

4.3.

Wat betreft het standpunt van appellante dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met de wekelijkse behandelingen die zij voor haar psychische klachten heeft, wordt overwogen dat er parttime functies zijn geselecteerd, zodat de behandeling (zoveel mogelijk) buiten de arbeidsuren kan plaatsvinden. Voorts heeft appellante geen stukken van de behandelaars overgelegd waaruit blijkt dat er op de datum in geding sprake was van een verminderde beschikbaarheid door het volgen van intensieve behandelingen die meerdere dagdelen per week in beslag namen. Daarbij wordt bovendien van belang geacht dat uit het onderzoek van de verzekeringsarts op 3 augustus 2016 naar voren is gekomen dat het therapeutisch wandelen en/of zwemmen van appellante door de POH-GGZ is geadviseerd om haar te activeren. Niet is gebleken, noch onderbouwd dat het zwemmen en/of wandelen als een (noodzakelijke) medische behandeling moet worden aangemerkt.

4.4.

Nu appellante ook in hoger beroep, ondanks toezegging, geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden dan de rechtbank heeft gegeven en appellante ook overigens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar psychische klachten op de datum in geding, te weten 3 augustus 2016, dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden, is er geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv in twijfel te trekken.

5. De overwegingen in 4.1 en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) J.R. Trox

IJ