Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/3832 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening inkomsten. Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv op grond van de onderzoeksbevindingen aannemelijk heeft gemaakt dat appellant vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf. Oordeel rechtbank geheel onderschreven. Sprake van werkzaamheden die verder gingen dan het hobbymatige. Terecht oordeel rechtbank dat inlichtingenverplichting is geschonden. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3832 WIA

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

7 april 2017, 15/5121 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 15 januari 2014 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 29 november 2015. Daaraan voorafgaand ontving appellant van 18 april 2012 tot 14 januari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet en van 1 januari 2012 tot

17 april 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant was werkzaam als monteur bij het garagebedrijf van zijn tweelingbroer [naam broer] , [naam bedrijf] aan de [adres] te [plaatsnaam] (garagebedrijf). Per 31 december 2011 is het dienstverband om bedrijfseconomische redenen beëindigd.

1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant samenwoonde met zijn ex-echtgenote, [naam A] , heeft een inspecteur van het Uwv (inspecteur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. In het kader van dat onderzoek heeft de inspecteur bij waarnemingen in de periode tussen 13 februari 2014 en 17 februari 2014 op enkele data vastgesteld dat appellant overdag en in de avond aanwezig was in het garagebedrijf van zijn broer. Naar aanleiding van het daaruit ontstane vermoeden dat appellant werkzaam was bij het garagebedrijf, heeft de inspecteur op 13 januari 2014 een nader onderzoek ingesteld. Bij dat onderzoek heeft de inspecteur onder meer betrokken de in het kader van het eerdere onderzoek bij het garagebedrijf verrichte waarnemingen, de door de belastingdienst op 8 maart 2014 en 26 maart 2014 verrichte waarnemingen, een verklaring die de tweelingbroer van appellant op 10 april 2014 heeft afgelegd, een verklaring die appellant op 29 april 2014 heeft afgelegd en een verklaring die stagiair [naam B] op 15 april 2014 heeft afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 30 juni 2014.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het Uwv bij besluit van

3 februari 2015 het besluit van 21 oktober 2013 in zoverre herzien dat appellant met ingang van 15 januari 2014 wel in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering, maar dat de uitkering over de periode van 15 januari 2014 tot en met 28 november 2015 op een lager bedrag wordt vastgesteld omdat appellant in die periode loonvormende arbeid heeft verricht.

1.4.

Bij besluit van 4 februari 2015 heeft het Uwv over de periode van 15 januari 2014 tot en met 31 januari 2015 onverschuldigd betaalde WGA-uitkering tot een bedrag van € 11.469,82 bruto van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.650,-, omdat appellant niet aan het Uwv heeft gemeld dat hij vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 februari 2015, 4 februari 2015 en

19 maart 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf, die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft deze activiteiten niet aan het Uwv gemeld en daarmee zijn

inlichtingenverplichting geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 2.650,-, en het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat het Uwv op grond van de onderzoeksresultaten in het rapport van 30 juni 2014, in het bijzonder de door appellant tegenover het Uwv afgelegde verklaring van 29 april 2014 en de waarneming door de belastingdienst op 26 maart 2014, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden in het garagebedrijf heeft verricht die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellant zelf heeft verklaard dat hij bijna dagelijks aanwezig was in het garagebedrijf, dat hij bij diverse waarnemingen op het garagebedrijf is gezien en tweemaal binnen is aangetroffen en dat appellant tijdens een waarneming op 26 maart 2014 inhoudelijke vragen over het bedrijf heeft gesteld aan een medewerker van de belastingdienst. Appellant gebruikte een telefoonnummer van het bedrijf en stond zelf vermeld als contactpersoon van het bedrijf op mobiliteitsmatch.nl, appellant heeft verklaard dat hij weleens op de zaak lette als zijn broer wegging, hij zowel thuis als op het bedrijf telefoongesprekken voerde voor het bedrijf en dat hij ook weleens klanten te woord stond en soms advies gaf. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant deze activiteiten in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet aan het Uwv heeft gemeld, terwijl het hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dat informatie betrof die van invloed kon zijn op zijn recht op een WIA-uitkering. Het Uwv was gehouden om de WIA-uitkering van appellant op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA te herzien omdat deze door schending van de inlichtingenverplichting door appellant op een te hoog bedrag was vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv daarbij terecht is uitgegaan van vijf uur arbeid per dag, tegen een uurloon dat appellant verdiende bij het garagebedrijf voordat hij uitviel voor zijn werk. Het Uwv was op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA verplicht om de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant terug te vorderen. De rechtbank is van oordeel dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien geen sprake is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de door het Uwv opgevraagde informatie bij Psyon van 9 augustus 2016 blijkt dat een duidelijk causaal verband tussen (de verergering van) de psychische klachten van appellant en de terugvordering niet kan worden gelegd.

Wat betreft de opgelegde boete is de rechtbank van oordeel dat het Uwv op grond van de onderzoeksresultaten wel aannemelijk heeft gemaakt dat appellant werkzaamheden heeft verricht voor het garagebedrijf, maar dat niet is aangetoond dat appellant werkzaamheden in het garagebedrijf heeft verricht. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit voor zover het de boete betreft vernietigd.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het herzienings- en terugvorderingsbesluit van het Uwv. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij niet vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Volgens appellant ging het om hobbymatige activiteiten, zoals het sleutelen aan zijn eigen motor. Appellant heeft betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in beroep verklaringen van twee stagiairs overgelegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat de terugvordering een onaanvaardbare psychische lijdensdruk bij hem heeft veroorzaakt, waardoor er volgens hem dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Ter onderbouwing heeft appellant in beroep medische informatie van een GZ-psycholoog en een psychiater van i-psy van 15 december 2015 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 61 van de Wet WIA is, kort gezegd, een regeling opgenomen waarin is neergelegd dat en hoe inkomsten per maand met de uitkering worden verrekend. Het recht op de uitkering blijft daarbij ongewijzigd bestaan, maar de hoogte van de uitkering kan door die verrekening per maand verschillen. Uit de systematiek van artikel 61 van de Wet WIA vloeit verder voort dat een verrekening steeds over een verstreken periode zal plaatsvinden en dus terugwerkende kracht heeft.

4.2.

Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt door het Uwv een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen onverschuldigd is betaald teruggevorderd. Op grond van het zesde lid van dit artikel kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.3. Bij besluiten tot herziening met terugwerkende als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3415). Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden in het garagebedrijf heeft verricht die moeten worden aangemerkt als activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn.

4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv op grond van de

onderzoeksbevindingen aannemelijk heeft gemaakt dat appellant vanaf 15 januari 2014 werkzaamheden heeft verricht in het garagebedrijf. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, als samengevat weergeven onder 2, worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2791), komt bij de vraag of er sprake is van arbeid die in het economische verkeer wordt verricht, betekenis toe aan de aard van de activiteiten en de omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat zijn verklaring van 29 april 2014 dat hij in het garagebedrijf klanten te woord stond, niet betekent dat hij zakelijke gesprekken met klanten voerde. Volgens appellant ging het om gezellige gesprekken omdat het klanten betrof die tevens kennissen van hem waren. Verder heeft appellant ter zitting herhaald dat hij in het garagebedrijf aan zijn motor sleutelde, wat volgens hem als hobbymatige activiteit moet worden aangemerkt. Met wat hij ter zitting heeft aangevoerd, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij geen op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in het garagebedrijf. Op 29 april 2015 heeft appellant zelf verklaard dat hij wel eens op de zaak lette als zijn broer wegging, dat hij zowel thuis als op het bedrijf telefoongesprekken voerde voor het bedrijf en dat hij ook wel eens klanten te woord stond en soms advies gaf. Niet valt in te zien waarom appellant niet aan die verklaring kan worden gehouden. Gelet hierop is aannemelijk dat sprake was van werkzaamheden die gelet op de aard en de omvang daarvan verder gingen dan het hobbymatige. Appellant had daarom het Uwv over deze werkzaamheden moeten inlichten.

4.6.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat appellant, door geen melding te maken van de werkzaamheden in het garagebedrijf, zijn inlichtingenverplichting op grond van

artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering en de hoogte van de uitkering. De rechtbank heeft in het verlengde hiervan terecht geoordeeld dat het Uwv op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de

Wet WIA was gehouden de WIA-uitkering van appellant over de periode van 15 januari 2014 tot en met 28 november 2015 te herzien en op grond van artikel 77, eerste lid, van de

Wet WIA de teveel betaalde WIA-uitkering over de periode van 15 januari 2014 tot en met

31 januari 2015 terug te vorderen. Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2791) volgt dat als appellant geen opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden en de gewerkte uren niet heeft geregistreerd, het aanvaardbaar is dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv bij de herziening terecht is uitgegaan van

5 uur arbeid per dag en 25 uur arbeid per week waarbij het Uwv er terecht rekening mee heeft gehouden dat appellant tijdens schooltijden van zijn dochter is aangetroffen bij het garagebedrijf. Appellant heeft ook in hoger beroep geen objectiveerbare en verifieerbare gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het Uwv ten onrechte van 5 uur arbeid per dag en 25 uur arbeid per week is uitgegaan.

4.7.

De rechtbank heeft tot slot terecht het beroep op dringende redenen verworpen. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:234) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van terugvordering van de WIA-uitkering optreden. Het gaat dan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare sociale of financiële consequenties als gevolg van de terugvordering. Uit de door het Uwv in beroep en hoger beroep overgelegde psychiatrische expertise van drs. I. Visser van 12 juli 2016 en diens aanvullende psychiatrische expertise van

9 augustus 2016 volgt, dat een duidelijk causaal verband tussen de additionele financiële problemen van appellant als gevolg van de terugvordering en de (verergering van de) psychische klachten van appellant niet kan worden gelegd. In de aanvullende psychiatrische expertise heeft drs. Visser erop gewezen dat er in de expertise van medio 2014 al

matig-ernstige psychiatrische problemen aanwezig waren die onderhouden werden door diverse factoren.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E.C.R. Schut en

W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.L. Alves

md