Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:4351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
18/4196 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt. Mededeling medewerker klantcontactcentrum over duur verblijf in buitenland wordt in dit geval aan college toegerekend. Appellante mocht daarom de gerechtvaardigde verwachting hebben over verblijfsduur in buitenland. Er zijn geen zwaarwegende belangen op grond waarvan college niet gehouden is aan de gerechtvaardigde verwachtingen van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/46
NJB 2020/198
RSV 2020/34 met annotatie van R. Stijnen
JG 2020/8 met annotatie van Boven, L.C. van, Barkhuysen, T.
USZ 2020/66 met annotatie van Venderbos, M.W.
JB 2020/45
JWWB 2020/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4196 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 juni 2018, 18/633 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 31 december 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H. van Tongerlo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tongerlo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R. Codrington.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Partijen hebben vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 24 september 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). In 2009 heeft appellante toestemming gekregen om langer dan
vier weken in het buitenland te verblijven. Zij heeft op 6 juni 2017 gevraagd om toestemming voor verblijf in het buitenland van 22 juni 2017 tot 13 september 2017.

1.2.

Op 12 juni 2017 heeft het college appellante toestemming verleend voor verblijf in het buitenland van 22 juni 2017 tot 20 juli 2017. Appellante heeft daarop op 14 juni 2017 gebeld met een medewerker van het klantcontactcentrum (kcc) van de gemeente Rotterdam. Zij heeft in dat gesprek te kennen gegeven dat zij langer dan de normaal toegestane vier weken in het buitenland wil verblijven vanwege hooikoorts, allergie en traumatische stress en dat zij een brief heeft ontvangen dat zij slechts van 23 juni 2017 tot 20 juli 2017 weg zou mogen. De kcc-medewerker heeft daarop de gegevens van appellante opgezocht in het SoZaWe-tabblad en meegedeeld dat zij in het systeem ziet dat appellante van 23 juni 2017 tot 13 september 2017 in het buitenland mag verblijven, dat de brief dan niet klopt en dat appellante daarover nog bericht zal krijgen. Appellante is ongeveer een week daarna naar het buitenland vertrokken. Zij heeft het aangekondigde bericht niet afgewacht.

1.3.

Bij besluit van 11 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante gestopt (lees: ingetrokken) met ingang van 21 juli 2017 op de grond dat zij langer in het buitenland verblijft dan toegestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 21 juli 2017 tot en met 11 augustus 2017.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW in de te beoordelen periode was uitgesloten van het recht op bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in dit artikel dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Met de overgelegde medische gegevens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in haar geval sprake was.

4.4.

Appellante doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel en heeft aangevoerd dat zij van een medewerker van de gemeente toestemming heeft gekregen voor haar verblijf in het buitenland.

4.5.

Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor een beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel een stappenplan uiteengezet.

4.5.1.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

4.5.1.1. Het college heeft niet bestreden dat een kcc-medewerker op 14 juni 2017 aan appellante heeft meegedeeld dat zij in het systeem ziet dat appelante van 23 juni 2017 tot 13 september 2017 in het buitenland mag verblijven. Het enkele feit dat tevens is meegedeeld dat appellante hierover nog een brief zou krijgen maakt nog niet dat - zoals het college heeft aangevoerd - deze mededeling moet worden beschouwd als te zijn gedaan onder voorbehoud. Er is geen grond voor de vooronderstelling dat appellante ermee rekening diende te houden dat een nadere brief anders zou kunnen luiden dan de mondelinge uitlatingen. Onder de gegeven omstandigheden kan appellante daarom niet worden tegengeworpen dat zij de ontvangst van een nadere brief niet heeft afgewacht.

4.5.2.

Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

4.5.2.1. Vaststaat dat de kcc-medewerker niet bevoegd was. Dit betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als de uitlating aan het college kan worden toegerekend. Daarbij dient voorop te worden gesteld dat de taak van een medewerker van een kcc strekt tot algemene voorlichting en dat uitlatingen van dergelijke medewerkers in beginsel niet aan het college kunnen worden toegerekend. Op grond van de in 1.2 vermelde omstandigheden bestaat in dit geval aanleiding daarop een uitzondering te maken. Na de ontvangst van de brief van 12 juni 2017 heeft appellante gebeld met de gemeente Rotterdam op het in die brief vermelde telefoonnummer. Vervolgens heeft de kcc-medewerker appellante niet doorverbonden met een bevoegde medewerker, maar meegedeeld dat zij
(de kcc-medewerker) “in het systeem” ziet dat appellante van 23 juni 2017 tot 13 september 2017 in het buitenland mag verblijven en dat zij daarover nog bericht zal krijgen. Appellante kon daarmee – bezien vanuit haar perspectief – menen dat het bevoegde orgaan alsnog had ingestemd met het door haar gevraagde langere verblijf in het buitenland en dat de
kcc-medewerker aldus de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Daarbij is in dit geval bovendien nog van belang dat appellante eerder – in 2009 – met instemming van het college langer dan vier weken in het buitenland had verbleven.

4.5.3.

Appellante mocht gelet op wat is overwogen in 4.5.1 tot en met 4.5.2.2 de gerechtvaardigde verwachting hebben dat zij van 23 juni 2017 tot 13 september 2017 in het buitenland mocht verblijven.

4.5.4.

Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.

4.5.4.1. In dit geval moet worden geoordeeld dat het college gehouden is aan de gerechtvaardigde verwachtingen te voldoen. Appelante heeft nadeel ondervonden, omdat zij na het telefoongesprek met de kcc-medewerker op 14 juni 2017 voor drie maanden naar het buitenland is vertrokken en het college haar bijstand heeft ingetrokken met ingang van 21 juli 2017. Er zijn geen contraire derde-belangen in het geding. De door het college gestelde precedentwerking ontbreekt gelet op de individuele omstandigheden van dit geval. Het college heeft ook overigens geen zwaarwegende belangen gesteld die nopen tot het oordeel dat voldoen aan de gerechtvaardigde verwachting hier achterwege moet blijven.

4.6.

Uit 4.5 tot en met 4.5.4.1 volgt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt en het college van intrekking van de bijstand met ingang van 21 juli 2017 op de grond dat zij langer in het buitenland verblijft dan toegestaan, had moeten afzien. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 11 augustus 2017, waaraan hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit, te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtshulp, in totaal dus € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 januari 2018;

- herroept het besluit van 11 augustus 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde het besluit van 25 januari 2018;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.072,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L. Hagendijk