Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:4345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
17/6371 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College heeft in redelijkheid geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de bijstand te herzien in verband met ontvangen inkomen in de vorm van eindejaarsuitkering. Op dit inkomen was al beslag gelegd in verband met vordering uit niet betaalde gemeentelijke belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6371 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 september 2017, 17/660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 17 december 2019

Zitting hebben: J.J.A. Kooijman als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden.

Griffier: I.A. Siskina

Ter zitting heeft het college zich laten vertegenwoordigen door M. Laarhuis. Voorts is betrokkene verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Betrokkene zat vanaf 2013 in de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Sinds 2014 had betrokkene samen met zijn partner in aanvulling op zijn inkomsten van de [naam stichting] ([de stichting]) aanvullend recht op bijstand. Bij brief van 24 juli 2015 heeft Invoned namens de gemeente onder [de stichting] voor een bedrag van € 719,- loonbeslag gelegd voor een aanslag baatbelasting drukriolering 2014 ten name van betrokkene. Tussen partijen is niet in geschil dat dit beslag is gelegd op de eindejaarsuitkering 2015 (EJU). Bij besluit van 20 juli 2016 heeft het college in verband met inkomsten uit de EJU de bijstand over het jaar 2015 herzien en de kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 509,11.

In de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank geoordeeld dat die herziening en terugvordering niet juist waren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de EJU niet kan worden aangemerkt als een middel waarover betrokkene redelijkerwijs kon beschikken omdat op de EJU beslag was gelegd.

Het college heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat bij beslag geen sprake is van een middel, gelet op de uitspraak van de Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501, niet juist is.

In het midden kan worden gelaten of de EJU, voor zover daarop beslag was gelegd, als middel in de zin van artikel 31, lid 1, eerste volzin, van de Participatiewet kan worden aangemerkt. Ook als sprake zou zijn van een middel als hier bedoeld en het college daarom in beginsel bevoegd was om over te gaan tot herziening en terugvordering van de bijstand, kan dat er niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. Het beslag was gelegd met toepassing van artikel 19 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 301 van de Faillissementswet is echter tijdens de schuldsaneringsregeling een vordering van de ontvanger als bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990 niet toegelaten. Het beslag onder [de stichting] was daarmee kennelijk in strijd. Gelet op alle betrokken belangen kon het college onder deze omstandigheden in redelijkheid geen gebruik maken van zijn bevoegdheid om de bijstand te herzien. Terugvordering van de bijstand kon dan ook niet plaatsvinden.

Het hoger beroep van het college slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van betrokkene is niet gebleken.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) I.A. Siskina (getekend) J.J.A. Kooijman