Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
18/2827 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Bewijs. Onevenredig. Naar het oordeel van de Raad was de korpschef bevoegd appellant een straf op te leggen. De aard en ernst van gedragingen 2 en 3 zijn niet alleen op zichzelf maar ook samen niet zodanig dat zij het opleggen van de (zwaarste) straf van onvoorwaardelijk ontslag kunnen rechtvaardigen. Van belang is dat deze beide gedragingen door de korpschef geheel zijn geplaatst in het kader van de - ten onrechte - aan appellant verweten gedraging 1, die uitsluitend betrekking had op het beweerdelijk besturen van de auto en niet (mede) zag op de situatie en gesteldheid van appellant voorafgaand aan, ten tijde van en korte tijd na het ongeval. Het komt de Raad voor dat hier een lichtere bestraffing op zijn plaats is. Nieuwe beslissing op het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/121
TAR 2019/70
JWR 2019/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2827 AW

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2018, 16/4169 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van der Steeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steeg. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Schuddeboom en C. Spel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie] bij de [Eenheid] .

1.2.

Op vrijdag 4 september 2015 omstreeks 04.45 uur is appellant door politieambtenaren langs de Rijksweg A10 aangetroffen naast zijn auto, die op zijn linkerzijkant met het dak tegen een boom in de berm lag. Na te zijn meegenomen naar het politiebureau is bij appellant een ademanalysetest afgenomen, waarbij een alcoholpromillage van 585 µg/l is vastgesteld. Op grond hiervan is het rijbewijs van appellant ingevorderd. Dit is hem na enige tijd weer teruggegeven.

1.3.

In de ochtend van maandag 7 september 2015 heeft appellant zijn leidinggevende K op de hoogte gesteld van het onder 1.2 vermelde. Later op de dag heeft een gesprek tussen appellant, K en de teamchefs S en A plaatsgevonden. Vervolgens is een intern onderzoek gestart door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van het cluster

Integriteit van de [Eenheid] , die op 28 oktober 2015 een onderzoeksrapport heeft uitgebracht. In dit rapport is onder meer vastgesteld dat appellant ter plaatse van het ongeval heeft verklaard niet zelf te hebben gereden maar ene “ [naam] ” die direct na het ongeval is weggerend, dat appellant tijdens de autorit naar het politiebureau en na de mededeling van het aantal µg/l recalcitrant gedrag vertoonde en dat hij recidivist is ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

1.4.

Nadat de korpschef een voornemen daartoe kenbaar had gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze had gegeven, heeft de korpschef bij besluit van 3 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 augustus 2016 (bestreden besluit), aan appellant per direct de straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) opgelegd. De korpschef heeft de volgende gedragingen van appellant aangemerkt als plichtsverzuim:

  1. het onder invloed van te veel alcohol als autobestuurder aan het verkeer deelnemen en de daarmee gegeven gevaarzetting voor de verkeersveiligheid, het doorgaand gedrag en daarmee evidente gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef dat hij heeft getoond;

  2. zijn niet transparante houding door het niet direct melding maken van het voorval bij zijn leidinggevenden;

  3. zijn niet-coöperatieve, recalcitrante opstelling.

De korpschef heeft zijn oordeel gebaseerd op de uit het intern onderzoek verkregen
stukken, op grond waarvan de overtuiging is verkregen dat appellant deze gedragingen heeft begaan. Met deze gedragingen heeft appellant zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim waarmee hij het in hem te stellen vertrouwen zeer ernstig en onherstelbaar heeft geschaad. Subsidiair is appellant ontslag verleend wegens het ontbreken van de vereiste geschiktheid, mentaliteit of instelling voor het door hem beklede ambt als bedoeld in

artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, en tweede lid, van het Barp.

1.5.

Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van
10 maart 2016 is appellant vrijgesproken van de hem ten laste gelegde overtreding van

artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de WVW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De vraag of appellant met te veel alcohol op een auto bestuurd heeft, is bevestigend beantwoord. De rechtbank acht het relaas van appellant niet geloofwaardig. Het als politiemedewerker onder invloed van alcohol besturen van een auto is zonder meer als plichtsverzuim te kwalificeren. Nu de aan appellant verweten gedraging van het onder invloed van alcohol besturen van een auto de disciplinaire maatregel van ontslag zelfstandig kan dragen, heeft de rechtbank de andere verweten gedragingen onbesproken gelaten.

3.
De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 76 van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak

(uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

Gedraging 1

3.3.

Het is aan de korpschef om op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens aannemelijk te maken dat appellant de auto onder invloed van te veel alcohol heeft bestuurd. Daarin is de korpschef niet geslaagd. De noodzakelijke gegevens over het bestuurd hebben van de auto ontbreken. Appellant is enkel naast zijn auto aangetroffen en er is geen enkele getuige, geen enkel camerabeeld en geen enkele andere concrete aanwijzing voor de aanname van de korpschef dat appellant de auto heeft bestuurd. Dat het relaas van appellant, dat niet hij maar “ [naam] ” heeft gereden, ongeloofwaardig is geacht en dat appellant ter onderbouwing van dat relaas geen bewijs heeft aangedragen, maakt dat niet anders. Uit het feit dat appellant zich eerder schuldig heeft gemaakt aan het onder invloed van te veel alcohol besturen van een auto, kan evenmin worden afgeleid dat appellant dat ook nu heeft gedaan.

3.4.

Uit 3.3 volgt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de korpschef aan het bij het bestreden besluit gehandhaafde onvoorwaardelijke strafontslag ten onrechte gedraging 1 ten grondslag heeft gelegd. Vervolgens moet beoordeeld worden of dat strafontslag overigens stand kan houden, zodat de Raad toekomt aan bespreking van gedragingen 2 en 3.

Gedraging 2

3.5.

Vaststaat dat appellant op maandag 7 september 2015 aan het begin van de werkdag bij zijn teamchef S melding heeft gemaakt van het feit dat hij betrokken was bij een eenzijdig ongeval en dat hij meegenomen was naar het politiebureau waar bij hem een voor de toepassing van artikel 8 van de WVW te hoog alcoholpromillage was vastgesteld. Naar het oordeel van de Raad waren deze gebeurtenissen, mede gelet op de functie van appellant, van dien aard dat hij hiervan direct of in ieder geval zodra hij daartoe in staat was melding bij zijn daarvoor in aanmerking komende leidinggevende behoorde te doen. Door dit eerst op maandag 7 september 2015 te doen, heeft appellant zich niet gedragen zoals van hem verwacht mocht worden. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, dat hem kan worden toegerekend. De aard en ernst van dit plichtsverzuim zijn echter niet zodanig dat daarvoor de straf van onvoorwaardelijk ontslag kon worden opgelegd.

Gedraging 3

3.6.

Uit het bij het onderzoeksrapport van 28 oktober 2015 gevoegde ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 11 september 2015 blijkt dat appellant op 4 september 2015 in de politieauto op weg naar het bureau in discussie bleef gaan met de agenten en zich vervolgens, nadat de uitslag van de ademanalyse aan hem bekend was gemaakt, zodanig recalcitrant/niet coöperatief bleef gedragen dat hij uiteindelijk door twee agenten het bureau uit is begeleid. De Raad is met de korpschef van oordeel dat appellant zich met deze opstelling schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden dat appellant deze gedraging niet is toe te rekenen. Dat appellant dit gedrag heeft vertoond omdat hij onder invloed van alcohol was, maakt dat niet anders. Ook van dit plichtsverzuim zijn de aard en ernst echter niet zodanig dat daarvoor de straf van onvoorwaardelijk ontslag kon worden opgelegd.

3.7.

Naar het oordeel van de Raad was de korpschef gelet op 3.5 en 3.6 bevoegd appellant een straf op te leggen. De aard en ernst van gedragingen 2 en 3 zijn niet alleen op zichzelf maar ook samen niet zodanig dat zij het opleggen van de (zwaarste) straf van onvoorwaardelijk ontslag kunnen rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat deze beide gedragingen door de korpschef geheel zijn geplaatst in het kader van de - ten onrechte - aan appellant verweten gedraging 1, die uitsluitend betrekking had op het beweerdelijk besturen van de auto en niet (mede) zag op de situatie en gesteldheid van appellant voorafgaand aan, ten tijde van en korte tijd na het ongeval. Het komt de Raad voor dat hier een lichtere bestraffing op zijn plaats is. Het bestreden besluit komt daarom wegens strijd met artikel 7:12 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van appellant slaagt dus.

3.8.

De Raad ziet ten aanzien van het hier besproken onderdeel van het bestreden besluit geen mogelijkheid tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik, omdat het aan de korpschef is om met inachtneming van wat in 3.7 is overwogen te bepalen welke beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2016 passend en geboden is. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en de korpschef daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen.

3.9.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de korpschef te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

3.10.

Omdat de korpschef het door hem aan appellant subsidiair gegeven ontslag wegens ongeschiktheid volledig heeft gebaseerd op de feiten die ten grondslag waren gelegd aan het strafontslag, kan het bestreden besluit ook wat dit onderdeel betreft geen stand houden. Aangezien het hier geconstateerde gebrek niet geheeld kan worden, ziet de Raad aanleiding op dit onderdeel zelf te voorzien door het primaire besluit in zoverre te herroepen.

4. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting), € 1.024,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.024,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal op een bedrag van € 3.072,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen besluit van 2 augustus 2016 gegrond en vernietigt dit besluit,

- herroept het besluit van 3 mei 2016 voor zover daarbij subsidiair ontslag is verleend wegens

ongeschiktheid als bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, en tweede lid, van het

Barp en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

2 augustus 2016;

- draagt de korpschef op voor het overige een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met

inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen die beslissing slechts bij de Raad

beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;

- bepaalt dat de korpschef het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 421,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H. Lagas en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

md