Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
16/8149 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen AIO-aanvulling in verband met niet gemelde eigendom onroerende zaken. Onevenwichtige terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/94
JWWB 2019/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8149 PW

Datum uitspraak: 5 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 november 2016, 16/1180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

In aanvulling op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ontving appellant bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij ontving de bijstand over de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 december 2008 van en met ingang van 1 januari 2009 namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden. Met ingang 1 januari 2010 ontving appellant een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van de Svb, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van het project ‘Steekproef AIO 2014’ heeft de Svb onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand en AIO-aanvulling. In dat kader heeft de Svb aan appellant het formulier “verblijf en vermogen buitenland” toegestuurd. In het kader van het vervolgonderzoek heeft, in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF), het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) onderzoek verricht naar eventueel vermogen van appellant in Turkije. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant 47.543,87 m² landbouwgrond, 717,5 m² wijngaard, 407,04 m² bouwgrond en 793,62 m² irrigatiekanaal geheel of gedeeltelijk in eigendom heeft. Verder bezit hij de helft van een woning en

7/25e deel van een andere woning. Een groot aantal van de onroerende zaken zijn op zijn naam gesteld in 1967 en 1999. Een lokale taxateur heeft de waarde van de bezittingen van appellant op 15 mei 2015 vastgesteld op in totaal € 9.014,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in handhavingsrapportages van 10 november 2014 en 4 juni 2014 (lees: 2015).

1.3.

Bij besluiten van 18 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 februari 2016 en zoals aangevuld bij brief van 15 februari 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2003 en de AIO-aanvulling met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken en de over de periode van 1 februari 2003 tot en met 30 september 2015 gemaakte kosten van bijstand en AIO-aanvulling tot een bedrag van in totaal € 32.060,56 van appellant teruggevorderd. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de op zijn naam staande onroerende zaken in Turkije. Deze onroerende zaken hadden een waarde boven de voor appellant geldende grens voor het vrij te laten vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2003 tot en met 18 september 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand en de AIO-aanvulling is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het betrokken bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bestuursorgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant de onder 1.2 vermelde onroerende zaken in de te beoordelen periode in eigendom had. Appellant heeft aangevoerd dat de intrekking van de AIO-aanvulling niet kan worden gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting, omdat hij er niet van op de hoogte was dat deze onroerende zaken op zijn naam stonden. Appellant heeft Turkije al op jonge leeftijd verlaten, is daar lang niet meer terug geweest en heeft een lange periode geen contact met zijn familie gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op de onderzoeksbevindingen is niet aannemelijk geworden dat appellant geen wetenschap had van de op zijn naam staande onroerende zaken. Al in 1967 is een aantal onroerende zaken op naam van appellant gekomen, terwijl appellant toen nog in Turkije verbleef. Hij heeft immers verklaard pas in 1969 Turkije te hebben verlaten. Een groot deel van de onroerende zaken heeft appellant in volledige eigendom. Voorts heeft de schoonzus van appellant tegenover een medewerker van de Nederlandse ambassade verklaard over de woning die appellant in mede-eigendom heeft, dat de woning van appellant, zijn broer en zijn zus is, en dat als appellant er is, niemand anders in de woning verblijft. De beroepsgrond dat appellant in een onmogelijke bewijspositie verkeert, gaat alleen al niet op omdat hij onderzoek had kunnen doen naar de wijze waarop de onroerende zaken op zijn naam zijn gekomen, zonder dat hij er weet van had.

4.4.

Appellant heeft tegen de terugvordering aangevoerd dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet evenredig is met de omvang van het door hem verzwegen vermogen en dat bij de vaststelling van de hoogte van het terugvorderingsbedrag daarmee rekening had moeten worden gehouden. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.1.

Artikel 58, eerste lid, van de PW, dat een verplichtend karakter heeft, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand/AIO-aanvulling, omdat het besluit tot terugvordering reparatoir van aard is. Het is in een dergelijke situatie aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen (aanvullende) bijstand/AIO-aanvulling zou zijn verstrekt. Vergelijk de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1688.

4.4.2.

De Svb gaat in het bestreden besluit, zoals ter zitting is bevestigd, ervan uit dat het vermogen van appellant in de gehele te beoordelen periode in totaal € 9.014,- bedroeg. Uitgaande van dit uitgangspunt van de Svb werd de vermogensgrens zoals deze voor appellant gold per 1 januari 2003 (€ 4.975,-) met een bedrag van € 4.039,- en zoals deze gold per 1 juli 2015 (€ 5.895,-) met een bedrag van € 3.119,- overschreden. In dit geval moet worden aangenomen dat appellant bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting op 1 februari 2003 over een veel kortere periode dan de ruim 12 jaar waarover in het bestreden besluit wordt teruggevorderd geen recht op bijstand zou hebben gehad. Daarbij is van belang dat appellant per 1 februari 2003 € 173,64 per maand exclusief vakantietoeslag aan bijstand ontving. Hij ontving over 2003 € 1.940,40 en over 2004 € 2.266,01 aan bijstand, in totaal derhalve € 4.206,41. Verder wordt in aanmerking genomen dat het hier gaat om iemand met een AOW-pensioen voor wie, in tegenstelling tot iemand die bijstand ontvangt, geen arbeidsverplichtingen bestaan en waarbij geen enkele indicatie bestaat dat hij om andere redenen dan vermogensoverschrijding geen recht op bijstand en

AIO-aanvulling zou hebben gehad.

4.4.3.

Vervolgens zou hem in dat geval gedurende het resterende deel van het tijdvak, waarop de terugvordering ziet, bijstand en naderhand AIO-aanvulling zijn verleend. Daarom zal de Svb aan de hand van een theoretische berekening de periode dienen vast te stellen waarover appellant geen recht op AIO-aanvulling zou hebben gehad, daarbij uitgaande van de op 1 januari 2003 voor hem geldende vermogensgrens van € 4.975,-, de op die datum toepasselijke norm en de eveneens op die datum vastgestelde overschrijding van de vermogensgrens van € 4.039,-. Aangezien bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting over die periode geen bijstand had moeten worden verleend, komt het juist voor dat de kosten van bijstand over die periode met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de PW worden gebruteerd. Vergelijk eveneens de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1688. Dat, in tegenstelling tot de uitspraak van 9 mei 2017, geen sprake is van een relatief korte periode waarover appellant geen bijstand zou hebben gehad, zoals de Svb heeft betoogd, is in dit geval niet relevant. Een relatief korte periode maakt het voor het bijstandverlenende orgaan gemakkelijker om het recht vast te stellen en in de uitspraak van 9 mei 2017 heeft de Raad de relatief korte periode ook op die manier bij de beoordeling betrokken. In het hier aan de orde zijnde geval kan de Svb, zoals volgt uit 4.4.2, ook over een langere periode het recht op bijstand en AIO-aanvulling van appellant vaststellen. Het gaat hier om de te grote mate van onevenwichtigheid tussen de periode waarover geen recht op bijstand bestond, indien de inlichtingenverplichting wel was nagekomen en de periode waarover is teruggevorderd.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de hoogte van de terugvordering wegens strijd met artikel 7:12, tweede lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval kan het geschil niet finaal worden beslecht. Het gaat hier immers, gelet op wat in 4.4.3 is overwogen, om een financiële uitwerking die de Raad bij gebrek aan toereikende gegevens - in het bijzonder over de brutering - zelf niet kan maken. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal de Svb een opdracht geven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, en € 48,20 wegens reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.096,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 februari 2016 voor zover dat ziet

op de hoogte van de terugvordering;

- draagt de Svb op in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming

van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden

ingesteld;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.096,20;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 170,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en P.W. van Straalen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.M. Pasmans

md