Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
18/2278 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ontslag wegens wangedrag niet onevenredig is aan de ernst van het verweten wangedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2278 MAW

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
14 maart 2018, 17/5636 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de minister verstaan.

Namens appellant heeft mr. W.A. Herweijer hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.A. van Helvoort, opvolgend gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Zilverberg en mr. E.C.H. Pot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marechaussee, laatstelijk in de functie van [functie] bij de [Onderdeel] . Appellant verrichtte werkzaamheden als opsporingsambtenaar.

1.2.

Op de avond van 22 november 2015 is appellant buiten diensttijd betrokken geweest bij een geweldsincident bij het [locatie] te [gemeente] , waarbij hij B met de vuist in het gezicht heeft geslagen, B zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht - bestaande uit onder meer een gebroken oogkas, een gebroken neus, afgebroken tanden en een afgebroken kies - en B met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Naar aanleiding van het incident is nader onderzoek verricht naar de toedracht. Appellant is met ingang van 10 december 2015 geschorst in het belang van de dienst.

1.3.

Bij besluit van 31 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2017 (bestreden besluit), is appellant met ingang van 1 september 2016 met toepassing van

artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement ontslag wegens wangedrag verleend.

1.4.

Appellant is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 juli 2007 veroordeeld tot 40 uren werkstraf wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Verder is appellant veroordeeld tot vergoeding van materiële en immateriële schade van B als benadeelde partij. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het ontslag niet in verhouding staat tot het wangedrag en heeft hij zijn, ook in bezwaar en beroep gedane, beroep op de uitspraak van de Raad van 26 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH5626) herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ontslag wegens wangedrag niet onevenredig is aan de ernst van het verweten wangedrag. De staatssecretaris heeft het wangedrag van appellant terecht als zeer ernstig gekwalificeerd. Appellant, die als militair is getraind in het omgaan met confronterende situaties, had zich, ondanks de provocaties van B, dienen te beheersen en had de-escalerend moeten optreden. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar het proces-verbaal van het verhoor van appellant op 9 december 2015, overwogen dat van de-escalerend gedrag bij appellant geen sprake is geweest. Appellant heeft immers tijdens dit verhoor verklaard dat hij B - die hem uitschold met bewoordingen waarin het woord kanker voorkwam - meerdere keren heeft gewaarschuwd, dat B ondanks die waarschuwingen niet stopte en dat appellant het toen zat was. Appellant heeft onnodig geweld gebruikt, met zwaar lichamelijk letsel bij B tot gevolg.

4.2.

Het beroep op de onder 3 genoemde uitspraak van de Raad van 26 februari 2009 slaagt niet. Weliswaar gaat het in zowel de zaak uit 2009 als deze zaak om een militair die eenmalig en buiten diensttijd een misstap heeft begaan, maar voor het overige verschillen de feiten in relevante zin. Zo is, anders dan in de zaak uit 2009, in deze zaak geen sprake geweest van
de-escalerend optreden van appellant, is het toegebrachte letsel ernstiger van aard en heeft de zaak strafrechtelijk niet geleid tot een transactie zoals in de zaak uit 2009 maar tot een veroordeling tot 40 uren werkstraf wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Verder heeft de militair in de zaak uit 2009 na het geweldsincident nog tot aan het ontslag de werkzaamheden van zijn functie mogen verrichten - het betrof een periode van ruim acht maanden - terwijl appellant na kennisname van het incident bij de leiding en het horen van appellant - kennelijk in verband met de ernst van de misdraging - is geschorst en de werkzaamheden van zijn functie tot aan zijn ontslag niet meer heeft mogen verrichten.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H. Lagas en
H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.A. de Graaff

md