Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:4235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
18/5726 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Schorsing. Strafontslag. Inhouding bezoldiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/22
AB 2020/103 met annotatie van L.J.A. Damen
TAR 2020/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5726 AW, 18/5727 AW, 18/5728 AW, 19/184 AW, 19/185 AW, 19/186 AW

Datum uitspraak: 19 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 september 2018, 17/613, 17/5534, 17/5739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.J. Ouderdorp een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in reactie op dit incidenteel hoger beroep zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2019. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.U.C.I. Duran, mr. L.M. ten Berge en K.A. Worst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1993 werkzaam bij de gemeente Amsterdam (gemeente), laatstelijk als [naam functie A] ( [functie A] ), bij stadsdeel [stadsdeel] , schaal 8. In deze functie hield hij zich bezig met het onderhoud van de openbare ruimte. Uit hoofde van zijn functie onderhield hij regelmatig contact met derden die werkzaamheden voor de gemeente uitvoerden.

1.2.

In maart 2016 heeft de Rijksrecherche de gemeente geïnformeerd over een strafrechtelijk onderzoek waarbij betrokkene wordt verdacht van ambtelijke corruptie als omschreven in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit het aannemen van een gift of meerdere giften in ruil voor het verstrekken van gemeentelijke opdrachten aan omkopende partijen. Op 7 maart 2016 heeft de rechter-commissaris in strafzaken een machtiging gegeven tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van betrokkene. Op 8 maart 2016 heeft op vordering van de officier van justitie en onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking in de woning van betrokkene plaatsgevonden en een onderzoek op zijn werkplek. Diverse goederen zijn in beslag genomen en voor onderzoek overgedragen aan de Rijksrecherche.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 8 maart 2016 met toepassing van de artikel 13.2, eerste en tweede lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) betrokkene in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang geschorst met behoud van salaris. Verder heeft het college bij dit besluit met toepassing van artikel 13.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de NRGA betrokkene de toegang tot zijn werkplek ontzegd. Daarnaast is hem het contact met collega’s verboden en is hij geïnformeerd dat de Rijksrecherche en het Bureau Integriteit (BI) van de gemeente nader onderzoek zullen doen naar het vermoeden van ambtelijke corruptie en plichtsverzuim. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

In een vertrouwelijk memorandum van 24 mei 2016 heeft de Rijksrecherche het hoofd van BI nader geïnformeerd over de ontwikkelingen van het strafrechtelijk onderzoek naar de vermoedelijke ambtelijke corruptie gepleegd door betrokkene.

1.5.

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft het college de grondslag van de onder 1.3 genoemde schorsing gewijzigd in een schorsing wegens strafrechtelijke vervolging voor het plegen van een misdrijf op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA. Ook is met toepassing van artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA de bezoldiging van betrokkene met onmiddellijke ingang met een derde gedeelte ingehouden voor een periode van zes weken en is met toepassing van artikel 13.3, derde lid, van de NRGA bepaald dat de bezoldiging van betrokkene na afloop van die periode volledig wordt ingehouden.

1.6.

Bij besluit van 20 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2016 ongegrond verklaard.

1.7.

In een vertrouwelijk memorandum van 4 januari 2017 heeft de Rijksrecherche het hoofd van BI nader geïnformeerd over de ontwikkelingen van het strafrechtelijk onderzoek naar de vermoedelijke ambtelijke corruptie gepleegd door betrokkene.

1.8.

Op 6 maart 2017 heeft BI de voorlopige onderzoeksbevindingen van het vermeende plichtsverzuim toegezonden naar betrokkene.

1.9.

Gelet op de voorlopige onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 7 maart 2017 het voornemen kenbaar gemaakt om betrokkene onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen met terugwerkende kracht. Daarnaast heeft het college de grondslag van de onder 1.5 genoemde schorsing gewijzigd in een schorsing wegens het voornemen tot oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de NRGA. De inhouding van betrokkenes bezoldiging is in stand gebleven.

1.10.

Na kennis te hebben genomen van de zienswijze van betrokkene over het voornemen hem te ontslaan, heeft het college bij besluit van 30 maart 2017 met toepassing van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f en het derde lid, van de NRGA betrokkene wegens plichtsverzuim strafontslag opgelegd met ingang van 28 juni 2016.

1.11.

De definitieve onderzoeksbevindingen van BI zijn neergelegd in het onderzoeksrapport “ [X] ” van 16 mei 2017.

1.12.

Bij besluit van 8 augustus 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om het toekennen van een dwangsom afgewezen.

1.13.

Bij besluit van 21 augustus 2017 (bestreden besluit 3) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om het toekennen van een dwangsom afgewezen. Het plichtsverzuim dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit bestaat uit de volgende gedragingen:

  1. Het uitlokken en aannemen van een gift ten bedrage van € 1.028,50 van een zakelijke relatie van de gemeente ( [A] van [naam B.V. 1] ) in wiens opdracht en voor wiens kosten door het bedrijf [bedrijf 1] vier nieuwe autobanden zijn aangeschaft en zijn geleverd voor de auto van betrokkene;

  2. Het uitlokken en aannemen van een gift ten bedrage van € 80,- bestaande uit het laten vervaardigen en ‘om niet’ ontvangen van een straatnaambord door/ [naam B.V. 2] vestiging [vestiging] c.q. [B] , met wie betrokkene uit hoofde van zijn functie een zakelijke relatie onderhield;

  3. Het laten ontstaan en voortbestaan van ontoelaatbare verstrengeling van persoonlijke belangen en belangen die betrokkene uit hoofde van zijn functie voor de gemeente Amsterdam diende te behartigen, door met gebruikmaking van zijn zakelijke contacten in zijn privébehoeften te voorzien;

  4. Het op zich laden van de schijn van ambtelijke corruptie c.q. omkoping door het aanvaarden van giften, die de verwachting wekken dat daar een zakelijke tegenprestatie tegenover staat of zal staan;

a. waarbij is gebleken dat betrokkene bij herhaling prijsopgaven/offertes die hij als assistent-wijkbeheerder heeft ontvangen, per e-mail heeft doorgestuurd naar andere partijen die eveneens werkzaam zijn geweest voor de gemeente Amsterdam, waardoor niet alleen in strijd is gehandeld met de bij aanbesteding geldende gedragsregels, maar waardoor betrokkene ook de ontoelaatbare schijn op zich heeft geladen dat aan het verstrekken van de bewuste informatie/gegevens een tegenprestatie van de ontvangende partij was verbonden en;

b. waarbij tevens is gebleken dat betrokkene privécontact onderhoudt met [C] van [bedrijf 2] en samen met hem buiten werktijd bestratingswerkzaamheden uitvoert, waardoor eveneens de schijn van belangenverstrengeling werd gewekt.

5. Het toebrengen van grote schade aan het imago van de gemeente.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd en het besluit van 28 juni 2016 herroepen, omdat de schorsing niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA. Daartoe is overwogen dat het college in de tekst van de bepaling en in de toelichting limitatief heeft beschreven wanneer sprake is van strafrechtelijke vervolging. Uit de desbetreffende bepaling en de toelichting daarop blijkt niet dat een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging voor een doorzoeking van de woning en werkplek en door de rechter-commissaris afgegeven machtiging tot het leggen van conservatoir beslag vallen onder het voorleggen van een strafzaak aan de rechter.

2.2.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college over voldoende gronden voor het ontslagvoornemen beschikte en daarom bevoegd was tot het schorsen van betrokkene. Ook mocht het college de belangen van de gemeente zwaarder laten wegen dan de persoonlijke belangen van betrokkene en was het college daarom bevoegd de bezoldiging van betrokkene in te houden. Doordat de schorsing per 28 juni 2016 is komen te vervallen, is bij het schorsingsbesluit van 7 maart 2017 ten onrechte verzuimd de afbouwregeling van artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA toe te passen. Het beroep van betrokkene is in zoverre gegrond. Bestreden besluit 2 is daarom gedeeltelijk vernietigd en het besluit van 7 maart 2017 herroepen voor zover het college de genoemde afbouwregeling heeft verzuimd toe te passen. Bepaald is dat het college vanaf 7 maart 2017 tot 30 maart 2017 de bezoldiging van betrokkene met maximaal een derde mocht inhouden en dat de uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit 2.

2.3.

Ten aanzien van bestreden besluit 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim en dat het college in redelijkheid bevoegd was tot het opleggen van strafontslag. Bestreden besluit 3 is vernietigd en het besluit van 30 maart 2017 is wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel herroepen voor zover het strafontslag met terugwerkende kracht is opgelegd. De rechtbank heeft 30 maart 2017 aangemerkt als ontslagdatum en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit 3.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1: Schorsing wegens strafrechtelijke vervolging

3.1.

Ingevolge artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA kan de medewerker worden geschorst als hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor het plegen van een misdrijf. In de toelichting bij dit artikel staat, samengevat, dat sprake is van een strafrechtelijke vervolging als:

a. een strafzaak wordt voorgelegd door het Openbaar Ministerie aan de rechter;

b. de verdachte ambtenaar in verzekering is gesteld;

c. de verdachte ambtenaar in voorlopige hechtenis is gesteld.

Als een ambtenaar bijvoorbeeld voor verhoor een aantal uren naar het politiebureau wordt meegenomen is er geen sprake van een strafrechtelijke vervolging. Bij een inbewaringstelling en een strafrechtelijke dagvaarding uiteraard wel.

3.2.

Het college keert zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen grondslag was voor de schorsing van 28 juni 2016. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de uitleg van het begrip “strafrechtelijke vervolging” aangesloten moet worden bij de betekenis daarvan in het strafrecht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8744, volgt dat sprake is van strafrechtelijke vervolging op het moment dat een rechter-commissaris betrokken is bij het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming. Deze situatie is ook van toepassing in deze zaak, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA en de toelichting op dat artikel.

3.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de tekst van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA in samenhang met de daarbij behorende toelichting niet volgt dat voor de uitleg van het begrip “strafrechtelijke vervolging” aansluiting moet worden gezocht bij het strafrecht. Het college heeft in de tekst van de bepaling en in de toelichting immers limitatief beschreven wanneer sprake is van strafrechtelijke vervolging. De omstandigheid dat de officier van justitie de rechter-commissaris heeft verzocht tot het doorzoeken van de woning en werkplek van betrokkene is geen situatie als bedoeld onder 13.3, eerste lid, onder a, van de NRGA. Nu de inhouding van de bezoldiging op grond van artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA onlosmakelijk is verbonden met de schorsing, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze inhouding evenmin stand kan houden. Het hoger beroep van het college slaagt op dit punt niet.


Bestreden besluit 3: Strafontslag

3.4.

Ingevolge artikel 13.4 van de NRGA kan de ambtenaar wegens plichtsverzuim worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 van de NRGA. Op grond van artikel 11.1 van de NRGA volgt de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op en behoort hij in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht. Ingevolge artikel 13.6, eerste lid, onder f, van de NRGA kan de ambtenaar strafontslag worden opgelegd.

3.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
Autobanden

3.6.

Betrokkene betwist gemotiveerd dat hij een gift in de vorm van autobanden heeft aangenomen van [A]. Hij betoogt dat de rechtbank tekort is geschoten in zijn motivering, omdat niet is ingegaan op de verklaring van de eigenaar van [bedrijf 1] . Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. In het licht van deze rechtspraak is de rechtbank in haar motiveringsplicht niet tekortgeschoten. Ook de Raad beperkt zich tot de kern van de gronden die partijen naar voren hebben gebracht.

3.7.

Uit het onderzoek van BI blijkt dat [A] betrokken is en bemoeienis heeft met door [naam B.V. 1] uitgevoerde werkzaamheden voor stadsdeel [stadsdeel] . Bij de uitvoering van die werkzaamheden hebben betrokkene en [A] zaken met elkaar gedaan. Uit de beschikbare WhatsApp-communicatie blijkt dat betrokkene in 2014 aan [A] heeft verzocht om de rekening voor het plaatsen van vier nieuwe autobanden op een [auto] te betalen. Uit de e-mail van 3 september 2014 met bijgevoegde factuur, afkomstig van het bedrijf [bedrijf 1] , en de daaropvolgende WhatsApp-communicatie blijkt dat [A] de door betrokkene verzochte autobanden voor de [auto] heeft betaald. [A] heeft op 24 november 2016 aan de Rijksrecherche verklaard dat als hij niet zou ingaan op de verzoeken van betrokkene hij vreesde dat hij geen werkzaamheden meer voor stadsdeel [stadsdeel] mocht uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat betrokkene deze verweten gedraging heeft begaan.

3.8.

Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, kan de verklaring van [A] door BI worden betrokken in het onderzoek. Dat deze verklaring voortkomt uit strafrechtelijk onderzoek, dat is uitgevoerd door de Rijksrecherche, doet hier niet aan af. In het kader van een disciplinair onderzoek kan gebruik worden gemaakt van uit strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) is echter geen sprake van een verplichting om het beschikbaar komen van die gegevens af te wachten. Ook de omstandigheid dat de eigenaar van [bedrijf 1] heeft verklaard dat betrokkene niets te maken heeft gehad met de factuur van 3 september 2014 doet niet af aan de overtuiging dat betrokkene de verweten gedraging heeft begaan. De WhatsApp-communicatie tussen betrokkene en [A] over de factuur en het daarin overeengekomen bedrag komen overeen met het exacte bedrag dat staat vermeld op de desbetreffende factuur. Dat, in samenhang met de verklaring van [A], spreekt de verklaring van de eigenaar van [bedrijf 1] overtuigend tegen.


Straatnaambord

3.9.

Uit het onderzoek van BI blijkt dat betrokkene uit hoofde van zijn functie een zakelijke relatie onderhield met [B]. De Raad stelt, gelet op de e-mailberichten tussen betrokkene en [B] en de verklaring van [B], vast dat betrokkene op zijn initiatief een gift in de vorm van een straatnaambord ter waarde van € 80,- heeft ontvangen. Uit de stukken blijkt niet dat [B] deze kosten aan betrokkene heeft gefactureerd. Betrokkene heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij voor het straatnaambord heeft betaald. De Raad is dan ook van oordeel dat betrokkene deze verweten gedraging heeft begaan.

Het doorsturen van prijsopgaven/offertes

3.10.

Betrokkene erkent dat hij zakelijke prijsopgaven/offertes heeft doorgestuurd naar andere partijen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de gemeente. Daarmee staat ook deze verweten gedraging vast.

Plichtsverzuim

3.11.

Met het uitlokken en aannemen van de autobanden en het straatnaambord heeft betrokkene een ontoelaatbare verstrengeling laten ontstaan van persoonlijke belangen en belangen die hij uit hoofde van zijn functie voor de gemeente diende te behartigen. Hij heeft met gebruikmaking van zijn zakelijke contacten in zijn privébehoeften voorzien en daarmee de ontoelaatbare schijn van ambtelijke corruptie op zich geladen. Dit is terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

3.12.

Ook het doorsturen van prijsoffertes is terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Gelet op zijn functie bij de gemeente had betrokkene moeten weten dat offertes vertrouwelijke informatie bevatten. Het delen daarvan met andere partijen die ook werkzaamheden voor de gemeente verrichten of hebben verricht is ontoelaatbaar en kan de schijn wekken dat aan het verstrekken van die offertes een tegenprestatie is verbonden. Dat uit de stukken niet blijkt dat hij andere partijen met het doorsturen van offertes heeft bevoordeeld doet hier niet aan af. Zelfs als sprake zou zijn van een zekere cultuur binnen de afdeling van betrokkene waarbij wel vaker dingen niet volgens de regels gebeurden, kan dit het handelen van betrokkene niet rechtvaardigen. Hij blijft immers zelf verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Dit geldt te meer nu hij een coördinerende functie had en daarom mede verantwoordelijk was voor een juiste gang van zaken binnen de afdeling.

3.13.

De conclusie is dat betrokkene met het begaan van de verweten gedragingen zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim. Het college was daarom bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.
Evenredigheid

3.14.

Betrokkene heeft door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en heeft daarmee de dienst grote schade toegebracht. De opgelegde disciplinaire maatregel is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren binnen de dienst en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De duur van zijn dienstverband, de goede staat van dienst en de beperkte toekomstmogelijkheden voor betrokkene maken dit niet anders. Het college mocht in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik maken om betrokkene strafontslag op te leggen.

3.15.

Uit het voorgaande volgt dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene gericht tegen het strafontslag niet slaagt.

Terugwerkende kracht

3.16.

Het college heeft besloten om het strafontslag met terugwerkende kracht met ingang van 28 juni 2016 op te leggen, de dag waarop betrokkene is geschorst wegens strafrechtelijke vervolging.

3.17.

Het college betoogt dat betrokkene op 28 juni 2016 wist of had moeten weten dat hij ontslagen zou worden en dat het strafontslag met ingang van deze datum daarom niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen geldt in het algemeen dat ontslag met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel (uitspraak van 16 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6077). Dat is in dit geval niet anders, nu het gaat om een ingrijpend en belastend besluit en er geen sprake is van het herstel van een gemaakte fout. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ontslag niet eerder kan ingaan dan per 30 maart 2017. Het hoger beroep van het college slaagt op dit punt dan ook niet.

Bestreden besluit 2: schorsing wegens het voornemen tot strafontslag en inhouding bezoldiging

3.18.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7366) moet bij gebruikmaking van de bevoegdheid om de ambtenaar bij een voornemen tot strafontslag te schorsen worden beoordeeld of het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit tot schorsing beschikte over voldoende gronden voor dat ontslagvoornemen. Daarbij is beslissend of aan de beschikbare gronden, bezien vanuit het standpunt van het bestuursorgaan, voldoende gewicht kan worden toegekend om te komen tot het voornemen.

3.19.

Betrokkene stelt dat de schorsing van 7 maart 2017 geen stand kan houden omdat het voornemen op onvoldoende basis is gestoeld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nu, gelet op het voorgaande, het ontslag standhoudt, moet ervan worden uitgegaan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het vermelde plichtsverzuim. Daarom kan niet worden gezegd dat het in 1.9 genoemde voornemen op onvoldoende basis berustte. Ten tijde van het uitbrengen van het strafvoornemen was er een concrete verdenking van plichtsverzuim waardoor aan de integriteit van betrokkene kon worden getwijfeld en het noodzakelijk in hem te stellen vertrouwen was geschaad. Het college heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het onder die omstandigheden niet aanvaardbaar was dat betrokkene zijn werkzaamheden bleef verrichten. Wat betrokkene over zijn persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college van het voornemen tot strafoplegging had moeten afzien. In zoverre slaagt het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet.

3.20.

Ingevolge artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA kan het college tijdens een schorsing voor een periode van zes weken de bezoldiging verminderen met maximaal een derde deel van de bezoldiging. Ingevolge artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA heeft de ambtenaar bij een schorsing als bedoeld in artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA na zes weken geen recht meer op bezoldiging.

3.21.

Betrokkene voert aan dat de inhouding van de bezoldiging geen stand kan houden, omdat het college heeft verzuimd zijn belangen zorgvuldig af te wegen. Deze beroepsgrond slaagt. Uit de tekst van artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA volgt dat het college beoordelingsvrijheid heeft bij de beslissing om de bezoldiging van zijn geschorste werknemers in te houden. Daarom is de toetsing door de bestuursrechter terughoudend. Zij is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Tijdens de zitting van de Raad heeft het college gesteld dat in dit soort zaken een “zero-tolerance beleid” wordt toegepast, inhoudende dat bij verdenkingen van plichtsverzuim altijd de bezoldiging van de betrokken ambtenaar wordt ingehouden. Dit beleid laat volgens het college geen ruimte om de persoonlijke belangen van de betrokkene, zoals bijvoorbeeld zijn financiële positie, te betrekken bij de keuze om tot inhouding over te gaan. Door een dergelijke belangenafweging achterwege te laten voldoet bestreden besluit 2 naar het oordeel van de Raad niet aan de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en ontbeert het tevens een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Conclusie

3.22.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt, voor zover dit is gericht tegen de inhouding van de bezoldiging. Dit betekent dat bestreden besluit 2 wordt vernietigd voor zover het college de bezoldiging heeft ingehouden, evenals de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat het college van 7 maart 2017 tot 30 maart 2017 de bezoldiging van betrokkene met maximaal een derde mag verminderen. Gelet op de toelichting van het college over het toegepaste “zero-tolerance beleid” is het niet aannemelijk dat het college het geconstateerde motiveringsgebrek alsnog zal herstellen, nu dit beleid geen ruimte laat voor de weging van de persoonlijke belangen van de betrokkene. De Raad ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 7 maart 2017 te herroepen voor zover de bezoldiging van betrokkene is ingehouden. De aangevallen uitspraak wordt voor het overige bevestigd.

3.23.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat het college van
7 maart 2017 tot 30 maart 2017 de bezoldiging van betrokkene met maximaal een derde mag
verminderen;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2017 gegrond en vernietigt dat besluit
voor zover het college de bezoldiging van betrokkene heeft ingehouden;
- herroept het besluit van 7 maart 2017 voor zover het college de bezoldiging van betrokkene
heeft ingehouden;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-
- bepaalt dat het college aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 253,
vergoedt;
- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en T. Avedissian en G. Aarts als leden, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J.B. Beerens