Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:4166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
18/3513 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad onderschrijft in hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Uit de Wsf 2000 volgt dat, indien ook aan de overige voorwaarden van artikel 2.1 van de Wsf 2000 wordt voldaan, een recht op studiefinanciering voor een opleiding in het buitenland ontstaat wanneer een student is ingeschreven voor het volgen van voltijds onderwijs. Inschrijving is een wettelijk begrip, ontleend aan artikel 7.32 van de WHW. Inschrijving brengt onder meer mee, dat een recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens ontstaat. Voor de studie van appellant in België geldt dat het recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens eerst ontstaat als er studiepunten worden opgenomen. In die zin is, vertaald naar het Nederlandse systeem, de ‘inschrijving’ van appellant eerder te zien als ‘aanmelding’ in de zin van artikel 7.31a en verder van de WHW dan als inschrijving in de zin van artikel 7.32 van de WHW. Zonder inzet van studiepunten heeft appellant dan ook niet voldaan aan de uit de artikelen 2.8 en 2.14 voortvloeiende voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering. Hoger beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/26
RSV 2020/19
NJB 2020/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3513 WSF

Datum uitspraak: 18 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 mei 2018, 17/3268 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Smit hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2019. Voor appellant is verschenen mr. Smit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 30 augustus 2016 studiefinanciering aangevraagd op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hij heeft daarbij vermeld dat hij een eenjarige voltijdse vooropleiding Politieke Wetenschappen gaat volgen aan de [naam universiteit] . Desgevraagd heeft hij aanvullende informatie verstrekt.

1.2.

Bij besluit van 7 december 2016 heeft de minister de aanvraag van appellant gehonoreerd en vanaf september 2016 studiefinanciering toegekend in de vorm van een lening.

1.3.

Appellant heeft op 15 februari 2017 aan de minister verzocht zijn vergoeding reisrecht met terugwerkende kracht om te zetten naar een OV-reisrecht, omdat hij in Nederland woont en werkt. Dat verzoek is gehonoreerd.

1.4.

Bij besluit van 16 juni 2017 heeft de minister de eerder aan appellant toegekende studiefinanciering over de periode september 2016 tot en met mei 2017 herzien en een bedrag van € 9.250,47 teruggevorderd. Tevens is meegedeeld dat een OV-schuld is ontstaan van € 1.746,-. Bij besluit van 23 juni 2017 is laatstgenoemd bedrag verhoogd naar € 1.940,- nadat het reisrecht op 20 juni 2017 door appellant was stopgezet.

1.5.

Bij besluit van 16 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 juni 2017 en 23 juni 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de inschrijving, zoals bedoeld in artikel 2.14 van de Wsf 2000, ziet op het moment waarop het onderwijs voor de opleiding ook daadwerkelijk wordt gevolgd. Anders dan appellant betoogt, kan de acceptatie van zijn aanmelding voor het studiejaar 2016-2017 voor de opleiding Politieke Wetenschappen aan de [naam universiteit] niet worden gezien als inschrijving in de zin van artikel 2.14 van de Wsf 2000. De omstandigheid dat appellant voor het studiejaar 2016‑2017 is toegelaten voor de opleiding politieke wetenschappen aan de [naam universiteit] , betekent niet dat de onderwijsinstelling hem op dat moment heeft ingeschreven in de zin van de Wsf 2000. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar de informatie van de [naam universiteit] zelf, waaruit volgt dat de inschrijving het opnemen van studiepunten omvat. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0444. Doordat appellant zijn reisrecht eerst op 20 juni 2017 op de voorgeschreven wijze heeft beëindigd, is de rechtbank van oordeel dat appellant het reisrecht niet tijdig heeft stopgezet, waardoor hij in de maanden september 2016 tot en met juni 2017 ten onrechte heeft beschikt over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht, dan wel geladen reisproduct als bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000. De OV-schuld is daarom terecht vastgesteld op € 1.940,-. Van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisrecht appellant niet kan worden verweten is geen sprake.

3. Appellant heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald en van een nadere toelichting voorzien.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in feite een herhaling van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Nieuwe argumenten of bewijzen zijn niet naar voren gebracht.

4.2.

De rechtbank heeft wat is aangevoerd in de aangevallen uitspraak besproken en uitgebreid gemotiveerd waarom de in hoger beroep herhaalde gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Daaraan wordt, naar aanleiding van de nadere toelichting van de gronden, het volgende toegevoegd.

4.3.

Uit de artikelen 2.8 en 2.14 van de Wsf 2000 volgt dat, indien ook aan de overige voorwaarden van artikel 2.1 van de Wsf 2000 wordt voldaan, een recht op studiefinanciering voor een opleiding in het buitenland ontstaat wanneer een student is ingeschreven voor het volgen van voltijds onderwijs. Inschrijving als hier bedoeld is een wettelijk begrip, dat is ontleend aan artikel 7.32 van Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Inschrijving brengt ingevolge artikel 7.34 van de WHW onder meer mee, dat een recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens ontstaat. Voor de studie van appellant in België geldt dat het recht op het volgen van onderwijs en het afleggen van tentamens eerst ontstaat als er studiepunten worden opgenomen. In die zin is, vertaald naar het Nederlandse systeem, de ‘inschrijving’ van appellant eerder te zien als ‘aanmelding’ in de zin van artikel 7.31a en verder van de WHW dan als inschrijving in de zin van artikel 7.32 van de WHW. Zonder inzet van studiepunten heeft appellant dan ook niet voldaan aan de uit de artikelen 2.8 en 2.14 voortvloeiende voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering. In die zin kan ook de verwijzing door de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 17 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0444) worden begrepen en deze verwijzing is dus, anders dan appellant betoogt, niet onjuist. Voor de volledigheid wijst de Raad in dit verband ook op zijn uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3046.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met enige aanvulling van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.