Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
16/7046 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering juist vastgesteld. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen juist heeft vastgesteld, en in het oordeel dat de door het Uwv aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt waren, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht door het Uwv is vastgesteld op 72,94%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7046 WIA

Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 oktober 2016, 15/7357 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Karacelik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Namens appellant is

mr. Karacelik verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

Het onderzoek is heropend na de zitting teneinde appellant in de gelegenheid te stellen rapporten van de anesthesioloog en van de neurochirurg in te dienen.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft op de nadere stukken gereageerd met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als steigerbouwer voor 43,58 uur per week. Op 2 december 2011 is hij uitgevallen als gevolg van rugklachten. Per einde wachttijd, 29 november 2013, is appellant in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde

WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) tot 29 mei 2015, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 46,47%. Het bezwaar hiertegen is door het Uwv bij besluit van 12 maart 2014 ongegrond verklaard, onder nadere vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage op 52,7.

1.2.

Bij besluit van 16 februari 2015 is de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant per

29 mei 2015 omgezet in een WGA-vervolguitkering. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarbij hij onder meer heeft aangevoerd dat zijn medische situatie zowel lichamelijk als psychisch is verslechterd en dat hij met ingang van 29 mei 2015 volledig arbeidsongeschikt is.

1.3.

Op 14 augustus 2015 heeft een medisch onderzoek door een arts van het Uwv plaatsgevonden om een actueel medisch oordeel te kunnen geven over de situatie per

29 mei 2015. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellant als gevolg van discopathieën en een depressieve episode beperkingen ondervindt wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren en wat betreft dynamische handelingen. Hij heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 augustus 2015. Op 2 oktober 2015 heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij een arbeidsdeskundige op basis van functieduiding (productiemedewerker, SBC-code 111180, besteller post, SBC-code 282102 en machinebediende, SBC-code 271093) een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 72,94% heeft berekend. Dit resultaat is aan appellant voorgelegd en na ontvangst van diens reactie heeft op 30 oktober 2015 een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van het dossier.

Deze heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een zorgvuldige medische oordeelsvorming en dat er geen aanleiding bestaat om de FML van 14 augustus 2015 aan te passen.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 6 november 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant gegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 mei 2015 is bepaald op 72,94% en is bepaald dat de vervolguitkering wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.

2.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische situatie. Er zijn onvoldoende beperkingen aangenomen en de geduide functies zijn te zwaar. Het Uwv heeft hierop een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 december 2015 ingebracht waarin een extra toelichting is gegeven over de geschiktheid van de geduide functies. Appellant heeft vervolgens een rapport van verzekeringsarts

P.J.A. Colsen ingebracht van 2 mei 2016, waarbij een FML is gevoegd, met meer beperkingen dan in de FML van het Uwv. Colsen heeft gesteld dat hij hierbij informatie heeft betrokken van anesthesioloog-pijnspecialist R.J.M. Munnikes van 7 april 2016 en van neurochirurg

J.H. van den Berge van 31 maart 2016. Deze twee stukken waren niet bij het rapport gevoegd, maar in samengevatte vorm weergegeven. Appellant heeft niet gereageerd op het verzoek van het Uwv om deze rapporten alsnog in te sturen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens op 31 mei 2016 geconcludeerd dat de belastbaarheid na de datum in geding zal zijn afgenomen, maar dat er geen aanleiding bestaat om per die datum, 29 mei 2015, meer beperkingen aan te nemen, zoals Colsen heeft voorgesteld. Met name weerspreekt de samengevatte nadere informatie niet de informatie uit het dossier dat pas op

10 november 2015 door appellant een toename van klachten is gemeld, die reden was voor doorverwijzing door de anesthesist naar de neurochirurg.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het rapport van Colsen niet de waarde kan worden gehecht die appellant wenst, omdat de daarbij betrokken medische informatie uit de behandelend sector ondanks diverse verzoeken, ook van de zijde van de rechtbank, niet is overgelegd. Het standpunt van appellant is daardoor onvoldoende verifieerbaar en navolgbaar. De rechtbank heeft overwogen dat de functionele mogelijkheden van appellant juist zijn vastgesteld, de geduide functies geschikt zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid 72,94% bedraagt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn medische situatie niet juist is ingeschat. Er hadden meer beperkingen moeten worden aangenomen, waarbij appellant heeft verwezen naar het rapport van Colsen. De verzekeringsarts had meer informatie van de behandelend sector moeten inwinnen en rekening moeten houden met het rapport van Colsen. Appellant heeft gesteld dat hij meer arbeidsongeschikt is dan het Uwv heeft vastgesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft daartoe bij het verweerschrift een rapport ingebracht van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die in wat in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het medisch oordeel.

4.1.

De vraag die de Raad dient te beoordelen is of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de Wet WIA bij overgang naar de vervolguitkering per 29 mei 2015 terecht heeft vastgesteld op 65-80%.

4.2.

De rechtbank heeft het rapport van Colsen niet in haar beoordeling betrokken, omdat niet alle daarin genoemde medische informatie was bijgevoegd. Daarmee heeft de rechtbank aan dat rapport onvoldoende waarde gehecht, omdat dat rapport ook zonder de ontbrekende informatiebrieven een relevante onderbouwing was van het standpunt van appellant.

4.3.

Appellant heeft na heropening van het onderzoek in hoger beroep op 26 oktober 2018 de ontbrekende rapporten van de anesthesioloog Munnikes en van de neurochirurg Van den Berge ingediend. Het Uwv heeft daarop bij brief van 5 november 2018 gereageerd en het standpunt ingenomen dat uit de nagekomen informatie blijkt dat eerst sprake was van een toename van de klachten na 1 september 2015 en dat deze informatie geen aanleiding geeft om een ander medisch standpunt in te nemen. Als bijlage bij de brief van het Uwv van

5 november 2018 is een nader medisch rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevoegd. Daaruit blijkt het standpunt van de verzekeringsarts dat uit de nadere informatie geen aspecten of argumenten van medische aard naar voren komen die niet reeds bekend waren en tot een ander standpunt zouden kunnen leiden.

4.4.

De Raad volgt het standpunt van het Uwv. Appellant heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat de onderliggende informatie voor zich spreekt. De nadere informatie bevat echter geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de toename van de klachten plaatsvond vóór 29 mei 2015. De anesthesioloog-pijnspecialist Munnikes heeft op 7 april 2016, desgevraagd door Colsen, juist meegedeeld dat hij op 26 oktober 2015 appellant gezien heeft, maar dat het moment van toename van de pijnklachten anamnestisch moeilijk valt te bepalen door de taalbarrière. De neurochirurg Van den Berge heeft zich in zijn informatie van

9 december 2015 en 31 maart 2016 niet uitgelaten over (het moment van) de toename van de klachten van appellant.

4.5.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant per 29 mei 2015 juist heeft vastgesteld, en in het oordeel dat de door het Uwv aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt waren, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht door het Uwv is vastgesteld op 72,94%.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Gelet op wat in 4.2 is overwogen, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en B.M. van Dun en M.F.J.M. de Werd als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) W.M. Swinkels

md