Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:4092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
18/1815 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Voldoende grondslag dat de vader van de kinderen van appellante zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2020/54 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1815 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 17 december 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2018, 17/4318 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Berends, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berends. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 26 september 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), met ingang van 5 maart 2016 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij was vanaf 5 maart 2016 woonachtig op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van een onderzoek naar haar woonsituatie heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam op 9 februari 2017 met appellante gesproken en een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 maart 2017.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 maart 2017 de bijstand in te trekken met ingang van 5 maart 2016.

1.4.

Bij besluit van 30 maart 2017 heeft het college de kosten van de aan appellante over de periode van 5 maart 2016 tot en met 31 maart 2017 verleende bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 14.529,85.

1.5.

Bij besluit van 13 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 21 maart 2017 en 30 maart 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat de vader van haar dochter (X) zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als appellante. Appellante en X voeren een gezamenlijke huishouding. Appellante en X hebben samen voldoende middelen om de kosten van levensonderhoud te betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 5 maart 2016 tot en met 21 maart 2017.

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Zij en X hadden niet in dezelfde woning hun hoofdverblijf. X stond ingeschreven op het adres Jeltje de Bosch Kemperpad [nummer] (nummer [nummer] ). Zij en X huren beiden een onzelfstandige woning. Dat brengt met zich dat noodgedwongen enkele gemeenschappelijke ruimtes worden gedeeld, maar zij hebben geen hoofdverblijf in dezelfde woning. Bovendien blijkt uit een rapport van 15 december 2015 dat het college wist dat X ingeschreven stond op nummer [nummer] en op de hoogte was van de voorgenomen woonsituatie.

4.4.1.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.4.2.

Niet in geschil is dat uit de relatie van appellante en X een kind is geboren en dat X tijdens de te beoordelen periode verbleef op het adres met huisnummer [nummer] . In geschil is of appellante en X in dezelfde woning hoofdverblijf hadden.

4.4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:390) dient onder woning een zelfstandige woning te worden verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.

4.4.4.

Gelijk de rechtbank heeft overwogen en in beroep niet is betwist delen appellante en X wezenlijke woonfuncties, zoals de keuken, het toilet, de hal, de badkamer en het balkon en hebben zij een gemeenschappelijke voordeur. Dit betekent dat appellante en X, anders dan appellante heeft aangevoerd, hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Dat sprake is van twee adressen en afzonderlijke inschrijvingen in de Basisregistratie Personen en appellante en X beiden een eigen huurovereenkomst hadden, leidt er niet toe dat sprake is van twee woningen. Die omstandigheden raken niet de feitelijke woonsituatie en doen er niet aan af dat geen sprake is van een eigen toegang en dat wezenlijke woonfuncties worden gedeeld.

4.4.5.

Uit 4.4.2 en 4.4.4 volgt dat de omstandigheid dat X in de te beoordelen periode weliswaar op nummer [nummer] , maar in dezelfde woning als appellante woonde een feit is dat van invloed is op haar recht op bijstand. Voor zover appellante heeft bedoeld te stellen dat zij aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan omdat het college wist dat X ingeschreven stond op nummer [nummer] en op de hoogte was van de voorgenomen woonsituatie, slaagt deze grond niet. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.5.

Uit het in 4.3 bedoelde rapport van 15 december 2015 blijkt dat appellante op 8 december 2015 aan een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam heeft verklaard dat de woning een onzelfstandige woning is met een gemeenschappelijke keuken en badkamer en dat zij X heeft gevraagd de woning op nummer [nummer] te huren. Over X heeft zij toen verklaard dat hij er niet feitelijk woont, dat zij elkaar anderhalve maand niet hebben gesproken en dat zij niet weet waar hij op dat moment verblijft. Op 8 december 2015 woonde X dus feitelijk niet op nummer [nummer] , net zo min als appellante op het uitkeringsadres woonde. Niet duidelijk was wanneer daar verandering in zou komen. Toen appellante feitelijk op het uitkeringsadres ging wonen, had zij niet alleen dat, maar ook moeten melden dat X op dat moment feitelijk wel woonachtig was op nummer [nummer] . Appellante heeft pas tijdens het gesprek met de handhavingsspecialist op 9 februari 2017, toen haar hiernaar werd gevraagd, meegedeeld dat X feitelijk op nummer [nummer] woonde. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze informatie van invloed kon zijn op haar recht op bijstand zodat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet onverwijld en uit eigen beweging door te geven aan het college.

4.6.

Nu uit de relatie van appellante en X een kind is geboren en zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, wordt op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de PW een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Voor het betoog van appellante dat zij bewijs moet kunnen leveren dat zij en X, anders dan wordt vermoed, feitelijk geen gezamenlijke huishouding voerden, biedt de wet geen ruimte. Dat die ruimte ontbreekt levert, anders dan appellante betoogt, geen strijd op met het in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde beginsel van ‘equality of arms’. Vergelijk het arrest van 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4210. Het beroep van appellante op artikel 13 van het EVRM, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, slaagt evenmin. Artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW belet appellante immers niet om zowel het feitelijk bestaan van de daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan de rechter te presenteren. Die beslissing, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst. Zie in die zin ook de uitspraak van 5 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3034.

4.7.

Ingevolge artikel 58, achtste lid, van de PW kan het college, indien daarvoor dringende redenen zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Het feit dat het college, zoals appellante ter zitting heeft gesteld, te lang heeft stilgezeten en niet uit eigen beweging al aan het begin van de te beoordelen periode onderzoek heeft gedaan naar de woonsituatie van haar en X en appellante niet heeft gewaarschuwd dat zij het moest melden zodra X feitelijk woonachtig zou zijn op nummer [nummer] , levert geen dringende reden op als bedoeld in dit artikellid.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.L. Boxum en

M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.R. Daman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.